Call us now:
Post-ambachtelijk schrijven

Ik schrijf over leiderschap.
Maar niet de variant met post-its, TED Talks en Harvard-modellen.
Ik schrijf over leiderschap zoals het zich verstopt in zijpaden: middeleeuwse handleidingen voor vorsten, vergeten brieven van Erasmus, Thomas van Aquino die zich afvraagt of er in het paradijs iemand de leiding had. Over Lipsius’ Politica, het Secretum secretorum, Reinhard Höhn — die van nationaalsocialist via omwegen sociaaldemocratisch bestuurskundige werd. En ja, ook over de maffiafilm als vorstenspiegel.
Mensen kennen, kenden, mij vooral van ‘Hoe word ik een rat?’ — een ironische handleiding voor hedendaagse managers. Sindsdien ben ik steeds dieper de zijpaden ingelopen. Geen routekaart meer, ik wandel op kairos en serendipiteit. Als het toeval iets influistert en de tijd rijp is, begint het denken.
Lang dacht ik dat dát mijn kracht was: niet dat ik schreef, maar dat ik dwaalde — en dan iets opraapte. Maar inmiddels weet ik: Chatgpt en Gemini kunnen dat ook. Inclusief geur. Inclusief “de stoffige stilte van een kloosterbibliotheek waarin een idee zich verstopte tussen de bladzijden”.
Dus wat blijft er over?
Voor wie herhaalt wat al gezegd is, is AI de betere auteur.
Misschien is de schrijver geen smid meer, maar arrangeur van gevonden materiaal, een conceptuele kunstenaar die anderen het werk laat doen. Of eerlijker: een samensteller van diepgevroren elementen. Renaissanceadvies hier, een metafoor uit een taalmodel daar. Ik kook niet meer zelf — ik sla in, warm op en serveer. Soms verrassend lekker.
Maar dan is er iets wat je niet kunt simuleren. Denken. Niet herhalen, maar bevragen. Niet verbanden tonen, maar betekenis zoeken — zelfs als die er niet is.
En dan die andere vraag: bestaat het verleden nog wel? Nu alles vindbaar is, altijd aanwezig, onuitputtelijk opvraagbaar? Het verleden is geen tijd meer, maar een interface. Erasmus, het paradijs en de politiek zijn geen geschiedenisles, maar een keuzemenu: een setje prompts.
Ik geloof niet meer in het ambacht alleen. De computer schrijft beter dan ik. Sneller, helderder. En toch blijf ik schrijven. Misschien uit koppigheid. Omdat ik iets in de vingers wil krijgen.
Of misschien gewoon omdat ik nergens anders zo vrolijk verdwaal als in een zin die net niet klopt, maar precies dáárom blijft hangen alsof hij dat wel deed.
Voor wie herhaalt wat al gezegd is, is AI de betere auteur.
Maar wie denkt, tast, dwaalt én hallucineert — die blijft schrijven.
Niet ondanks AI, maar dankzij.