Call us now:

‘Rechts en dan direct links, door het gangpad langs de boekenkasten, daar vindt u het toilet.’ De jonge bibliothecaresse achter de balie helpt me geroutineerd. Straks zal ze me de box, waarin het handgeschreven Ordenboek van de Duitse Orde wordt bewaard, persoonlijk naar mijn tafel brengen. Zeldzaamheid vraagt nu eenmaal om zorg en regulering.
Het rode kistje voor me, niet groter dan een kleine naaidoos, bevat de regels van een ridderorde die actief was in een uitgestrekt gebied van de Oostzee tot de Middellandse Zee. Deze regels geven minder aan hoe de ridders hun gebied bestuurden, dan hoe zij zichzelf als bestuurlijke elite bestuurbaar maakten. Hoe houd je een kleine groep gewapende, adellijke en ambitieuze mannen bijeen als de afstanden zo groot zijn?
De Duitse Orde, ontstaan in 1190, was geen gewone kloosterorde maar een geestelijke ridderorde. Zij bestond niet alleen uit ridderbroeders maar ook uit priesterbroeders en dienende halfbroeders die geen ridder waren. Geloften, regels en liturgie gingen samen met de taak de christenheid en later ook de eigen machtspositie zo nodig met wapens te verdedigen en het land te besturen. Gereguleerd samenleven is een voorwaarde voor besturen op afstand: eerst moest de bestuurlijke elite zichzelf temmen.
De elite als risico
De Duitse Orde groeide in haar beginjaren snel, maar later stokte het. In 1210 waren er naar schatting 10 ridderbroeders. Rond 1250 waren het er 1600. In haar bloeitijd, een eeuw later, kwamen ze niet boven de 2000.
De ridders waren in een groot versnipperd gebied aanwezig: Het Heilige Land, het verdere Middellandse-Zeegebied, het Duitse Rijk, Pruisen, Lijfland (huidige Letland en Estland). Uiteindelijk heerste de Orde over een gebied dat bijna vijf keer Nederland besloeg. Deels bestond het territorium uit hun eigen monastieke staat in het Balticum en deels uit de verspreide huizen, landgoederen en commanderijen, een soort provincies in het Heilige Roomse Rijk. Hoe moest je, ver weg van alles, besluiten nemen als je niet onmiddellijk met je superieuren op het hoofdkwartier kon overleggen? Hoe bleef je handelen in de geest van de Orde waar je deel van uitmaakte? Het probleem was niet alleen communicatie over afstand. Het probleem was ook de broeder zelf: zijn afkomst, ambitie, familiebanden, lokale belangen, ijdelheid, lichamelijkheid en eigen oordeel. Werden zij zo ver weg van alles geen ongeleide projectielen?
Die afstanden zijn goed concreet te maken. Wie een brief van het Duitse Huis in Ootmarsum naar het hoofdkwartier in Malbork moest brengen, was al snel 20 tot 25 dagen onderweg. Vanuit Malbork naar Rome duurde zeker 40 tot 50 dagen[1]. Tegen de tijd dat de brief aankwam, was de situatie ter plaatse soms weer veranderd.

Minder dan 2000 ridderbroeders moesten dus een uitgestrekt, versnipperd en gevaarlijk gebied besturen. Hoe houd je dan eenheid in je orde? Wat gebeurt er met leiderschap als de afstand groeit? Hun antwoord was dat zij het leiderschap grotendeels verplaatsten naar regels, ritmes, procedures en kaders. Zo ontstond een kopieerbaar systeem dat naar nieuwe plekken kon worden meegenomen en daar opnieuw uitgepakt. Elke regel is een gestolde beslissing van een leider die afwezig is, maar ook een instructie voor de broeder die straks zelf moet handelen zonder leider naast zich. Dit ligt voor me in het rode doosje op de leestafel in de KB. Is dit een ‘besturingssysteem’ voor de bestuurder zelf, dat lokaal kon draaien?[2]
Tijd als structuur
De kopjes boven de tabellen van de kalender zijn in priegelschrift geschreven. Ik heb het handschrift opengeslagen. Met mijn vinger volg ik de letters. De namen in de eerste twee regels kan ik ontcijferen: Stephani, Ioannis. De Romeinse cijfers en lettercodes eromheen zijn abracadabra voor me, maar een priesterbroeder kon er de zon- en feestdagen direct mee berekenen. Zo wisten de ridders hoelang het nog duurde tot Kerstmis of Pasen. De tijd was voor hen, geen doorlopende lijn van hier naar daar, maar een aftellen van feest naar feest, van herdenking naar herdenking.
Dat het Ordensboek met een jaarkalender opent en niet met een gebed of een lofzang is niet zonder betekenis. Het is geen toevalligheid, geen ingreep van een Middelnederlandse scribent, maar behoort tot de vaste opbouw van het Ordensboek. Het zorgde ervoor dat in Palermo, in Malbork en in Ootmarsum de ridders op dezelfde momenten dezelfde gezangen aanhieven, dezelfde hoogtijdagen vierden en zichzelf elke week in alle nederigheid geselden. De ridder in de modder van Pruisen wist zich verbonden met zijn broeder op het zonnige Sicilië. Het leven van de broeders werd ondergebracht in een terugkerende cyclus die niet door henzelf werd bepaald. Ze werden voorspelbaar, omdat lokale variaties werden buitengesloten. Niet het gebied werd hier als eerste gelijkgeschakeld, maar de vroeder. Hun intenties deden er niet toe, de structuur was het belangrijkste zoals vastgelegd in het boek in het rode doosje.
Deze jaarcyclus van het Ordensboek was meer dan een jaarprogrammering. Het was de verankering van de orde in heilsgeschiedenis van Adam en Eva tot het einde der tijden. De ridders zagen zichzelf niet als een toevallig gezelschap strijders en bestuurders, maar als de opvolgers van Bijbelse strijders als Abraham en de Makkabeërs. Deze metafysische status ontnam de Orde haar toevalligheid. De broeders wisten dat wat ze deden niet voortkwam uit eigen wil, maar paste in een goddelijke noodzakelijkheid. Die gedachte was de primaire brandstof voor het systeem: alleen wie gelooft dat hij een instrument van God is, accepteert de totale uitwissing van zijn eigen wil en omarmt de gehoorzaamheid aan de orde.
Het begint bij de buitenkant
De Orde begon haar bestuurlijke elite aan de buitenkant te temmen. Een van haar instrumenten was het wegnemen van elk element dat verwijst naar herkomst en persoonlijkheid. De meeste ridders waren van goede komaf en dat zou aan hun kleding en gedragingen af te lezen zijn geweest, als de Orde daar geen stokje voor had gestoken.
De regels zijn heel specifiek. Bont van pelsdieren mocht absoluut niet. Geitenvellen kon men krijgen als men erom vroeg, maar de voorkeursvariant was toch de goedkopere en minder comfortabele huid van schapen om zich mee te omhullen. Ook de schoenen moesten ingetogen en zonder veters, versierselen en gespen zijn[3]. Maar de maatvoering moest wel weer goed zijn: niet te lang, niet te kort, niet te ruim, niet te nauw.
Die uniformering betrof ook wat men ’s nachts in bed droeg, hoe het bed en de dekens eruitzagen. Ook de baard en de haardracht ontsnapten niet aan het regime van de Orde. Het haar moest kort blijven en de baard verzorgd zijn. De halfbroeders mochten geen baard hebben en de geestelijken ook niet. Die laatsten moesten ook nog een tonsuur hebben, die, zo vermelden de regels in het rode doosje, niet te klein in omvang mocht zijn[4].
Zo uniformeerde de Orde haar leden op microniveau en maakte ze deze voorspelbaar. Iedereen werd een kopie, die overal in de Orde inzetbaar was en op gelijke wijze wist te strijden en te besturen. De innerlijke wil werd ingesnoerd door de wil van de Orde. Dit was geen bijkomstige kloostertucht, maar bestuurlijke techniek. Wie zichzelf niet mocht onderscheiden, kon ook minder gemakkelijk een eigen hofhouding, stijl of machtskring opbouwen. Dat versterkt de bestuurlijke eenheid en dus de bestuurlijke slagkracht[5].
Maar daarmee was de standaardisering nog niet voltooid. De verkloostering van leiderschap ging dieper. Zo ontstaan vier vormen van gehoorzaamheid: routinematige gehoorzaamheid aan ritme en lichaam, situationele gehoorzaamheid aan herkenbare gevallen, prudentiële gehoorzaamheid aan beraad bij onzekerheid, en constitutionele gehoorzaamheid aan regels die de macht zelf begrenzen.
De cadans van gehoorzaamheid
De eerste vorm van zelftemming was ritme. De ridders kenden een actieve regulering van de dag en de nacht, die overal in elk convent gold. Het etmaal was niet van hen, maar van de orde. De getijden synchroniseerden hun spreken en zwijgen, hun doen en laten, hun bidden en werken. Zeven getijden van de priem in het holst van de nacht tot de completen in de vooravond gaven de cadans waarin zij zich voegden. ‘Nadat de completen zijn gebeden, zullen de broeders hun stilte bewaren totdat de priem van de volgende dag is gezongen’, zo wordt de stilte van de nacht onder het regime van de Orde geplaatst. Alleen in noodgevallen mag hiervan worden afgeweken. Maar dan moet degene die gesproken heeft wel voordat hij naar bed terugkeert een Onze Vader een Weesgegroetje hebben gebeden. Deze microscopische regels herhaalden zich dag na dag, nacht na nacht. Zij maakten van de Teutoonse Orde één groot lichaam en brachten dit in een gehoorzame cadans.
Het was niet alleen het regime van spreken en schrijven dat een cadans aanbracht in het leven van de ridders, ook anderszins werd het lichaam in herhalingen geoefend en gedisciplineerd. Zo kende de dag een vastgelegd patroon van zitten, staan en vooral knielen. De regels gaan uitgebreid in op de momenten van de dag waarop de ridders naar de grond moesten. Dat zijn de zogenaamde venieën. Dit woord komt van het Latijnse venia, dat vergiffenis vragen of boete doen betekende.
Er laten zich vier vormen van knielingen onderscheiden in oplopende zwaartegraad én nederigheid: de korte, snelle kniebuiging met één been, het knielen op twee benen en de nog nederige variant, waarbij het bovenlichaam hoofd en armen richting de grond gaan en ten slotte de venie, waarbij de ridder plat op de grond ligt. De regels schrijven precies voor wanneer de ridder op de dag welke knieling moest uitvoeren.
Bij de completen moet men knielen vóór men begint. Men knielt bij het Onze Vader en bij de Confiteor, en blijft in die venie totdat Converte nos Deus is uitgesproken. Ook knielt men wanneer men begint bij het Gloria Patri, en bij het Onze Vader, bij de geloofsbelijdenis en bij het slotgebed. Telkens wanneer men het Salve Regina zingt, moet men knielen, en deze venie duurt totdat men Misericordiae heeft gezongen.[6]
De ridders maakten al snel tegen de dertig knielingen per etmaal, zeven dagen in de week in een voorgeschreven cadans. Op jaarbasis is dat een workout die tussen de 8000 en 10000 knielbewegingen ligt. Ze deden hun lichamen voegen in een orde die de plaats innam van hun persoonlijke voorkeuren en neigingen. Gehoorzaamheid is vooral ook een training in gewoonten. Men zou kunnen zeggen een vorm van routinematige gehoorzaamheid, waar geen bevel of opdracht meer aan te pas komt. Hetzelfde gold voor iets anders dat ook heel opmerkelijk was.

Wekelijks op vrijdag in het kapittel, als alle broeders bij elkaar waren, stond de geseling voor iedereen op het programma, niet vanwege boetedoening, maar als herinnering dat het potentieel wilde vlees letterlijk onder de plak gehouden moest worden. De ridders ervoeren steeds opnieuw aan den lijve dat het de Orde was die over pijn en geen pijn gaat en niet zijzelf. Het lichaam was niet van de ridder zelf maar uit handen gegeven aan een macht groter dan hemzelf. Voor een gewapende elite was dat geen detail. De man die anderen moest bevelen, moest eerst leren dat hij niet over zichzelf beschikte.
In de vastentijd stond er zelfs een verzwaard geselingsregime op het menu van drie keer per week. Hoe gedetailleerd de regulering was, leest men opnieuw af aan de uitzonderingen: wie ziek is of oud, of op reis werd van deze vrijdagse tuchtiging uitgezonderd.
In alle huizen van de orde moeten alle broeders elke vrijdag hun tuchtiging ontvangen, behalve op feestdagen en in de vastentijd vóór Kerstmis en vóór Pasen; in die perioden moeten de broeders drie dagen per week hun tuchtiging ontvangen.[7]
Het is ook weer de gezamenlijke methodiek in de vorm van een herhalende onderwerping wat een cadans gaf aan de gehoorzaamheid en letterlijk met striemen op het lijf geschreven werd. De routinematig gepijnigde ruggen tekenden misschien nog wel meer de inwisselbaarheid van de ridders dan hun witte mantel met haar zwarte kruis. Maar of in de wekelijkse kastijdingen de soep echt zo heet gegeten werd of dat het meer om een rituele reminder ging, daarover zwijgen vooralsnog mijn bronnen.
Eliminatie van de privésfeer
De broeders kenden geen privacy. Dat was niet alleen ascese, maar preventief bestuur. Je even terugtrekken om op jezelf te komen zat er niet bij en werd met allerlei maatregelen tegengegaan. Zij sliepen op slaapzalen, waar altijd licht brandde en tussen de matraszakken mochten geen gordijntjes hangen. Iedereen moest dag en nacht zichtbaar zijn. Juist die uren lenen zich voor ongeoorloofde fysieke aanrakingen, maar ook voor informele beraadslagingen, verhalen, menselijk contact. Ze moesten slapen omgord, in hemd en met kousen[8]. De ridder is paraat ook wanneer hij rust en slaapt.
Wij willen dat men geen bedgordijnen gebruikt, noch ’s nachts noch overdag, behalve zulke die zo open zijn dat men het bed goed kan zien[9].
Zichtbaarheid werd geconstrueerd in het gebouw zelf. Niemand kon zich verbergen, niemand kon ontsnappen aan toezicht. Kasten of kisten mochten niet afgesloten worden. Alles moest onmiddellijk toegankelijk zijn voor de Orde. Brieven, of ze nu geschreven werden of ontvangen, gingen langs de toezichthouder. Zelfs het kleinste kamertje ontkwam niet aan de Orde. In de latrines, misschien het laatste toevluchtsoord van enige privésfeer, gold een strikt zwijggebod. Interactie en communicatie waren er verboden. Waar men niet goed kan toezien, dwingt men het zwijgen af.
Zulke ingrepen kenden oude kloosterprecedenten. Al in de vroegste ontwikkelingen van het kloosterleven kwamen toezicht en zwijgen voor[10]. Toen ging het om ontspoorde asceten en kluizenaars in het gareel te brengen. Bij de Duitse Orde kreeg die monastieke disciplinering een bestuurlijke lading. Hier ging om de beheersing van een mobiele, gewapende elite en niet alleen om zielenheil. De broeders moesten loyaal en voorspelbaar aan de slag.
Scripting avant la lettre
De tweede vorm van gehoorzaamheid was situationeel. Natuurlijk hadden de broeders geen scripts voor zich waarinprecies stond wat ze in welke situatie moesten zeggen of doen. Ze waren geen hedendaagse helpdeskmedewerkers of huisartsen. Toch hadden ze er iets wat erop leek, in de basis althans. In hun Ordensboek zie je middeleeuwse ridders en geestelijken aan het werk om de contingentie van alledag terug te brengen tot herkenbare, zich herhalende situaties. Hun achterliggende intentie laat zich formuleren met wat ongetwijfeld door hun hoofd heeft gespeeld: wat te doen in zo’n situatie? Hun conclusies hebben ze in hun Ordensboek opgeschreven en zijn niet vrijblijvend. Wie in een regel wordt geadresseerd, heeft de plicht deze op te volgen. Deze situationele scripts verengden en standaardiseerden hun handelingsruimte.
Hun situationele regels bestreken een breed spectrum: van het ziekbed tot het strijdgewoel. Een goed voorbeeld is te zien bij de poort. Wat te doen wanneer iemand zich meldt en zegt te willen intreden?
Wanneer de meester en de broeders zijn overeengekomen dat zij broeders in de orde willen opnemen, dan zullen zij een broeder zenden naar degene die broeder wil worden, buiten het kapittel, die hem als volgt zal instrueren: wanneer hij in het kapittel komt, moet hij knielen voor de meester, of voor degene die in zijn plaats het kapittel houdt, en hem om Gods wil vragen hem in de orde op te nemen, opdat zijn ziel behouden worde.[11]
De aspirant-broeder moet dan gecontroleerd worden of hij al niet is aangesloten bij een andere orde, ongetrouwd is, geen schulden heeft of een ziekte onder leden. Als dat niet het geval is, zijn er twee opties: de aspirant-broeder doet een proeftijd of legt nog dezelfde dag zijn gelofte af. Hij zal dan woorden uitspreken die volledig zijn voorgeschreven.
Ik, [Naam], leg mijn professie af en beloof kuisheid van mijn lichaam, te leven zonder privé-eigendom en gehoorzaamheid aan God, aan de heilige Maria en aan u, broeder [Naam], meester van de Orde… dat ik u gehoorzaam zal zijn tot aan mijn dood.[12]
Hiermee geeft de kandidaat zijn eigen wil uit handen en neemt de Orde zijn lichaam, ziel en dagelijks bestaan over. Met deze performatieve daad verandert niet alleen zijn status van leek in broeder, maar zijn hele wereld waarin hij voortaan leeft.
Ook het ziekbed is streng geprotocolleerd. Het begint er al mee dat de broeders een onderscheid maakten tussen mensen van buiten en de broeders binnen. Zieke of gewonde buitenstaanders gingen naar het hospitaal van de commanderie, de broeders naar de interne ziekenhuisboeg. Dit was een erfenis van de oorspronkelijke missie van de Duitse Orde in het Heilige Land.
Wanneer een zieke of gewonde buitenstaander hulp zocht, kwam hij niet linea recta op de ziekenzaal. Eerst kwam een priester-broeder in een wit koorkleed met een stola met een miskelk en altaardoek naar hem toe. Aan hem ging een koorknaap (scolar, scholier) vooraf die een lantaarn droeg met een of twee brandende kaarsen en hun aankomst aankondigde met een luide bel. Vervolgens nam de priester de zieke de biecht af, als dat nog kon, en kreeg hij de heilige communie als de priester dat nodig achtte[13]. En dit was een verplichting, want zo zegt Wet V in de Statuten: ‘Anders zal men niemand als zieke opnemen’[14].

De instructies voor de strijd volgen eenzelfde patroon: herkenbare situaties en voorgeschreven handelingen. Elk moment in de strijdvoering komt langs: het materiaalbeheer, de logistiek, de mars zelf, het legerkamp, de terugkeer naar het vaandel. Alles wordt gescript behalve het belangrijkste moment zelf: de strijd. Daar trekt de Orde zich terug tot de interpunctie van begin en einde. De roeper, die de aanval beveelt, opent de ruimte waarin de ridder naar eigen inzicht moet handelen en waarover de regels verder zwijgen.
En wanneer deze de aanval heeft ingezet, dan mag iedere broeder handelen zoals God het hem in het hart ingeeft, maar zodanig dat hij, wanneer het hem passend lijkt, weer naar het vaandel terugkeert.[15]
Daarna wacht opnieuw het vaandel, de plek waar hij terugkeert in de orde van bevel en gehoorzaamheid. In de tussentijd is de ridder op zichzelf aangewezen en op God.
Hier bereikte de gehoorzaamheid haar operationele grens. De dynamiek was te groot en te ingewikkeld voor gedetailleerde regels. De Orde koos daar niet voor méér regels, maar voor een kader waarbinnen de ridder zelf moest handelen… naar eigen inzicht. Juist hier wordt zichtbaar wat de Orde probeerde te creëren: geen vrij individu, maar een getrainde functionaris die oordeelt binnen een gegeven kader.
Gekaderd beraad
De derde vorm van gehoorzaamheid begon waar de regel tekort begon te schieten. Naar eigen inzicht handelen kwam bij de Duitse ridders vaker terug. Het mocht, maar alleen binnen nauw omschreven kaders, en alleen wanneer de omstandigheden hen daartoe dwongen. Meestal gebeurde dat niet op eigen houtje. De Orde had liever dat de broeders overlegden, zeker wanneer de tijd daarvoor ruimte liet. Het ging steeds om situaties waarin voorschriften tekortschoten. Dan was de vraag niet alleen wat verstandig was, maar ook wie daarover mocht mee oordelen. Zo ontstond een vorm van prudentiële gehoorzaamheid: de verplichting een voorgeschreven proces te doorlopen van afwegen, raad vragen en besluiten. Ook bij overtredingen werd het oordeel niet eenvoudig uit de regel afgeleid, maar via een gereguleerd beraad in het kapittel vastgesteld[16].
De broeders werden dus niet vrijgelaten in moderne zin, maar gedwongen op een geordende manier om te gaan met het tekort van de regel. Die prudentie was niet alleen nodig bij grote besluiten. Ook onderweg moest de broeder kunnen inschatten wanneer star vasthouden aan de eigen gebruiken averechts werkte. Op reis mochten de broeders zich aanpassen aan de godsdienstige gebruiken en knielingen van de plaatsen waar zij kwamen[17]. Ook mochten zij lokale feestdagen vieren, opdat zij de mensen daar geen aanstoot gaven[18]. Uniformiteit had dus een grens: waar zij ergernis wekte, werd aanpassing zelf een regel. Dit gold voor alle broeders van de hoogste ambtsdragers tot de gewone broeders, niemand uitgezonderd.
Zo moest de hoogste bestuurder van de orde, de Meester, alle broeders bijeenroepen als er een besluit genomen moest worden om landerijen met lijfeigenen te verkopen. Wie denkt dat het om een soort vroege vorm van democratie ging, komt bedrogen uit. Niet de meerderheid telde, alleen de meest verstandige en wijze broeders kregen letterlijk een stem in het kapittel[19]. En wie bepaalde wat dan het verstandigste deel was? Uiteindelijk de Meester of zijn plaatsvervanger. De raad begrensde dus de macht van de Meester en de Meester begrensde op zijn beurt de raad. Het was geen volksvergadering, maar een beraad waarin wijsheid, inzicht en reputatie zwaarder wogen dan numerieke meerderheden. Zo waren de regels.
Deze prudentiële gehoorzaamheid werd niet alleen gelegitimeerd vanuit de praktisch ervaring dat je samen meer weet dan alleen maar ook theologisch. Het was een christelijke, apostolische plicht om je te laten adviseren en beslist geen zwakte, integendeel. Zelfs Christus werd als voorbeeld opgevoerd.
Bovendien leest men in het evangelie over onze Heer Jezus Christus, die vol was van wijsheid en genade, dat Hij naar onderricht luisterde en vragen stelde. Daarmee heeft Hij Zijn navolgers de les en het voorbeeld gegeven dat ook zij graag goed onderricht moeten horen, raad moeten zoeken en deze moeten opvolgen[20].
Die prudentiële gehoorzaamheid sijpelde overal door in de Orde en bleef niet alleen steken op de hoogste niveaus. De schildknecht is met zijn knechten in de weer met de paarden en schilden, het hoofd van de huishoudelijke dienst met zijn werklieden en voorraden. Ook zij waren verplicht elke vrijdag met hun mensen te overleggen. Wanneer zij dat vanwege omstandigheden niet konden, moesten zij snel naar een andere dag uitwijken[21]. Die vrijdag was natuurlijk niet zomaar gekozen. Voor de middeleeuwer was dat de dag van ingetogenheid en boetedoening: de sterfdag van Christus.
Elke vrijdag moet hij met de knechten kapittel houden, of hij mag dit uitstellen naar een andere dag als hij door drukte verhinderd is.
De routinematige gehoorzaamheid temde het wilde vlees, de situationele gehoorzaamheid de terugkerende gebeurtenissen, de prudentiële gehoorzaamheid de onzekerheid van het oordeel. De laatste vorm, de constitutionele gehoorzaamheid, moest de macht zelf temmen.
Constitutionele gehoorzaamheid
De vierde vorm van gehoorzaamheid richtte zich op de macht zelf. De Orde temde niet alleen het lichaam, de situatie en het oordeel, maar ook de ambtsdrager. Ervaring had hen wantrouwig gemaakt jegens persoonlijke heerschappij. De eeuwenoude klacht over ontspoord en falend leiderschap was ook bij hen niet verstomd en klinkt in hun constitutionele regels door. Het hoogste gezag ontkwam niet aan checks and balances. Zo moesten alle hoogste ambtsdragers moesten jaarlijks aftreden en herkozen worden[22]. Het hoogste kapittel, hun jaarvergadering op het feest van de Kruisverheffing (14 september), net na de oogst, was daarvoor het moment. Daar bleef het niet bij: ook de lagen eronder ontkwamen niet aan dit jaarlijkse ritme van af- en aantreden.
Op het feest van Kruisverheffing (14 september), na de oogst, moet men jaarlijks een Groot Kapittel houden. Daarvoor moet men de commandeurs van Armenië en Cyprus bijeenroepen, en anderen die de Meester raadzaam acht. Tijdens dit Groot Kapittel moeten alle functionarissen die door het Groot Kapittel zijn aangesteld, hun ambt neerleggen[23].
De macht is niet van personen, zij blijft van de Orde. Leiderschap is een tijdelijke aangelegenheid met een vast beginpunt en een vast einde. Ook de Meester stond niet buiten dit systeem. Hij was er de hoogste functionaris van, niet de eigenaar. Hij was geen monarch boven de wet. Zoals Jürgen Sarnowsky heeft benadrukt, werkte gehoorzaamheid in geestelijke ridderorden in twee richtingen: ook de meesters waren gebonden aan statuten, traditie en generaal kapittel[24].

Tijdens deze jaardagen moesten de bestuurders verantwoorden, hoe ze huis hadden aangetroffen en achterlieten. De bestuurder moest zijn financiële rapportages op schrift stellen. Hetzelfde gold voor de lagere echelons. Alleen wie aan het hoofd stond van een hospitaal kreeg dispensatie. Daar ging caritas boven pecunia. Verantwoording maakte van macht geen persoonlijke ruimte, maar een opdracht waarover tekst en uitleg moest worden gegeven.
De hospitaalmeester is niet verplicht om op deze wijze verantwoording af te leggen, opdat hij zijn ambt van milddadigheid jegens de zieken in grotere vrijheid kan uitoefenen. Toch moet hij over zijn handelen met de Meester spreken wanneer dat nodig is.[25]
De broeders beperkten zich daar niet toe. Zij hadden een hele toezichtstructuur. Jaarlijks werden er in het Kapittelberaad visitatoren aangesteld die de huizen langsgingen om te controleren hoe de vlag erbij hing Men was verplicht de inspecteurs te ontvangen en open boek te geven over de stand van zaken. Toezicht werd een belangrijke tactiek om de eenheid binnen de gelederen te houden. Een huis dat goed draaide moest zijn overschotten afstaan aan de centrale schatkist, zodat die de gelden opnieuw konden investeren waar het het hardst nodig was. Hiermee voorkwamen de broeders, dat er financieel dominante huizen een te grote vinger in de pap zouden krijgen.
De Orde was er bovendien op gericht koninkrijkjes te voorkomen. Zij maakte actief gebruik van de regel om broeders te verplaatsen. Voorkomen moest worden dat ze ergens gingen wortelen. Ook de band tussen familie en vrienden, die vaak van adel waren, moest doorgesneden worden en blijven. Er mochten geen private belangen ontstaan. Wanneer de broeder overgeplaatst werd, mocht hij een plunjezak met wat kleding voor een half jaar meenemen en volstrekt geen persoonlijke bezittingen. Steeds opnieuw beginnen… Dit is misschien het zuiverste voorbeeld van zelftemming: de Orde wantrouwde niet alleen ongehoorzaamheid, maar ook ambitie.
In de 14e eeuw werden extra regels aan het Ordensboek toegevoegd om paal en perk te stellen aan het lobbygedrag van ridders. Vriendjespolitiek was uit den boze.
Ook zal geen broeder, zelf of via zijn vrienden of door voorspraak van heren, naar enig ambt streven… hem zal men geen ambt toevertrouwen en men zal hem zo ver van zijn vrienden wegsturen, dat dit [lobbyen] niet meer nodig zal zijn.[26]
Wie hieraan schuldig werd bevonden, kreeg een carrièreverbod en werd naar een uithoek geplaatst. De lobbyende ridder van Narva kwam bij wijze van spreken in Ootmarsum terecht, in onze Achterhoek. Machtsvorming werd gedesorganiseerd en waar mogelijk voorkomen.
[27]Op deze wijze probeerden de Duitse Ridders een orde te creëren en te behouden die het probleem van leiderschap oploste: vervang de feilbare leiders door een systeem dat hen vormt, controleert en vervangbaar maakt. De gehoorzaamheid was de lijm om dit systeem bijeen te houden: van de voorgeschreven stand van de knieën tot de verplichte jaarrekening van de meester. Niet het land werd hier als eerste bestuurd, maar de bestuurder.
Ik leg het handschrift terug in het rode kistje. De jonge bibliothecaresse is inmiddels afgelost. Tegen de man die nu achter de balie zit, fluister ik: ‘Ik ben klaar’. Het voelt wat vreemd. Ik ben gewend iets terug te brengen, maar in deze situatie is het script anders. Ik draai me om en kijk nog eenmaal naar het kistje op de lege tafel. Het zal straks worden opgehaald en opgeborgen. Regels blijven regels.
[1] Zie voor de geleidelijke ontwikkeling van Marienburg/Malbork tot bestuurlijk en communicatief centrum van de Orde: Klaus Militzer, “Die Marienburg als Zentrale des Ordens im 14. und 15. Jahrhundert,” in Die Marienburg: Vom Machtzentrum des Deutschen Ordens zum mitteleuropäischen Erinnerungsort, ed. Eugen Kotte e.a. (Leiden/Boston: Brill, 2013), p. 20–24.
[2] Zie voor regels en gewoonten als tegelijk spirituele, juridische en formatieve teksten: Krijn Pansters, “Medieval Rules and Customaries Reconsidered,” in A Companion to Medieval Rules and Customaries, ed. Krijn Pansters (Leiden/Boston: Brill, 2020), p. 7. Pansters benadrukt bovendien dat zulke teksten niet alleen het dagelijkse leven vormgeven, maar ook bijdragen aan centralisering via wetten, generaal kapittels en visitaties, p. 5.
[3] Ik gebruik voor het Ordensboek de transcriptie van het handschrift in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Ik heb gekeken of de transcriptie klopte met het origineel en zag geen rare dingen. W.J. d’Ablaing van Giessenburg. De statuten van de Duitsche Orde. 1857. P.223
[4] Ibidem. P.224
[5] Wenskus, Reinhard. ‘Das Ordensland Preußen als Territorialstaat des 14. Jahrhunderts’. Vorträge und Forschungen 13 (1970): 347-82. P.356
[6] W.J. d’Ablaing van Giessenburg. De statuten van de Duitsche Orde. 1857. P.301
[7] Ibidem P.270
[8] Ibidem. P.228
[9] Ibidem P.309
[10] Zie hiervoor de regels van bijvoorbeeld Pachomius, een van de eerste organisatoren van het kloosterleven. Die was erop gericht ontspoorde kluizenaars en asceten weer in het gareel te krijgen in een strikt gereguleerd gemeenschapsleven.
[11] W.J. d’Ablaing van Giessenburg. (1857). De statuten van de Duitsche Orde. P.253
[12] Ibidem. P.255
[13] Ibidem. P.216
[14] Ibidem. P. 216
[15] Ibidem. P.298
[16] Indrikis Sterns, “Crime and Punishment among the Teutonic Knights,” Speculum 57, nr. 1 (1982), p. 92.
[17] W.J. d’Ablaing van Giessenburg. De statuten van de Duitsche Orde. 1857. P.234
[18] Ibidem. P.256
[19] Ibidem. P.233
[20] Ibidem. P. 279
[21] Ibidem. P.292
[22] Boockmann, Hartmut. Der Deutsche Orden: zwölf Kapitel aus seiner Geschichte. 3., Durchges. Aufl. Beck’sche Sonderausgaben. Beck, 1989.P.191
[23] W.J. d’Ablaing van Giessenburg. De statuten van de Duitsche Orde. 1857. P.284
[24] Jürgen Sarnowsky, ‘Sancta obedientia. Die Rolle des Gehorsams in den geistlichen Ritterorden des ausgehenden Mittelalters’, Ordines Militares. Colloquia Torunensia Historica 27 (2022), p. 292.
[25] W.J. d’Ablaing van Giessenburg. De statuten van de Duitsche Orde. 1857. P.289