De vorst wordt bestuurder

Palermo is een gehavende stad van kapotte trottoirs en bouwvallen. De hondenpoep is amper te ontwijken. De nauwe straatjes van de Arabische wijk La Kalsa zijn wel uitmuntend verlicht. Enkele bewoners laten hun hondje uit. Ze lopen er met nonchalance, zonder acht te slaan op mogelijk gevaar. Geen carabinieri in de buurt. En toch wandelt iedereen alsof er orde is. Is dit niet precies wat Frederik II van Hohenstaufen (1194-1250) , koning van Sicilië, Duits koning en keizer van het Heilige Roomse Rijk wilde: een bestuur dat werkt zonder lijfelijke aanwezigheid?

Frederik werd tijdens zijn al door tijdgenoten het wonder van de wereld genoemd, stupor mundi, vanwege zijn experimenteerlust, zijn talenkennis en zijn strijd met de geestelijkheid.[1] Waar hij vooral beroemd en berucht om werd, waren de bestuurlijke hervormingen in zijn koninkrijk. Hij zette een opmerkelijk bureaucratisch systeem op in Sicilië en Zuid-Italië. Hij nam het hof en de bevolking op in een systeem van ambten en regels en hoefde niet meer overal tegelijk te zijn. Op die manier gaf hij een antwoord op een speelveld dat voortdurend uit zijn handen dreigde te vallen. Hij vertrouwde meer op zijn systeem dan op zijn karakter.

Hoe Frederik eruitzag en wat hij allemaal wel niet kon, daarvan zijn we vooral afhankelijk van wat er later over hem is geschreven. Vaak gaat het dan meer over reputatie dan over feitelijkheden, ook al zullen er kernen van waarheid zijn.

Volgens de humanist Johannes Iselius, die in de zeventiende eeuw een nieuwe editie verzorgde van de brieven van de kanselier van Frederik II, Petrus de Vinea, had Frederik een middelmatige lichaamslengte, een opgewekt gelaat en een rossige tint. Hij had een talenknobbel en volgens de latere biograaf Kantorovich sprak hij maar liefst negen talen en in meerdere daarvan schreef hij ook. Veel daarvan is volgens Abulafia, een andere biograaf, legendevorming[2].

Zijn experimenteerlust kende geen grenzen. Menig onderzoek van zijn hand zou nu niet door ethische commissies van universiteiten komen. Zo liet hij de ogen van valken dichtnaaien om te onderzoeken of die vogels op het zicht joegen of op de reuk. Ook isoleerde hij baby’s om te achterhalen wat de oertaal was: Grieks, Latijn, Hebreeuws of Arabisch. Het liep fataal met ze af. Ook zijn gewoonte om regelmatig in bad te gaan gold als nieuwlichterij. Hij deed dat zelfs op kerkelijke feestdagen.[3] Zijn tijdgenoten keken er met afschuw en verbazing naar.

Enna – een van de kastelen van Frederik II (eigen foto)

Die aandacht voor het concrete, zijn tegendraadsheid kregen gestalte in wat we straks nog zullen behandelen: zijn modelstaat. Dan zien we een creatieve systeembouwer aan het werk, gevormd door een wereld vol rivaliteit, afwezigheid en bestuurlijke versnippering. Dat bestuurlijke antwoord kwam niet uit de lucht vallen. Zijn leven werd een leerschool in contingentie: slim en gevarieerd reageren op wat de omstandigheden vroegen.

Op zijn derde was hij al wees (1198). Zijn vader Hendrik VI en zijn moeder Constance overleden vrij snel na elkaar. Om de dynastie veilig te stellen werd hij direct op zijn derde gekroond tot koning van Sicilië  en onder de hoede genomen van de paus, die zijn regent en opvoeder werd. Machtspolitiek was dit ook handig: een toekomstige heerser kon in zijn ontvankelijke jaren worden gevormd voordat hij zelf een dreiging werd.

Frederik was veertien toen zijn oom Philip, de Duitse koning, vermoord werd. Het zal zijn vertrouwen in een goede, vanzelfsprekende afloop niet gesterkt hebben. Zeker niet toen zijn oom werd opgevolgd door een telg van een rivaliserende dynastie, Otto IV. De bescherming van zijn familie aan vaderskant, de Hohenstaufen, was nagenoeg afwezig. Frederik stond helemaal buitenspel. De politieke turbulentie in Europa functioneerde als een levend curriculum.

In Lombardije kreeg Frederik het later regelmatig aan de stok met autonome en welvarende steden als Milaan en Bologna. De zelfbewuste burgerij moest niets van zijn imperiale inmenging weten. Zijn aanwezigheid in Noord-Italië was dan ook vaak nodig om orde op zaken te stellen: zijn orde.

Wat zijn regeerperiode extra gecompliceerd maakte, was zijn dubbelzinnige relatie met opeenvolgende pausen. Zij hadden hem enerzijds nodig voor de gewapende strijd tegen moslims in het zuidoosten en tegen heidenen in het noorden. De top van het Vaticaan vreesde evenwel zijn grote macht. De Vaticaanse gebieden grensden in het noorden en zuiden aan zijn rijk: ingesloten worden, dat vindt niemand fijn. Het leidde vaak tot fricties en strijd. Frederik kreeg niet alleen te maken met woorden en uitsluiting, maar ook met geweld. Rome had inmiddels een gewapende tak opgericht, zelfs een hele vloot gebouwd. Deze militarisering hielp weinig. In 1241 hakte Frederik de pauselijke vloot, met kardinalen aan boord, in de pan.

Maar er speelde meer dan geopolitiek. Rome zag in Frederik ook een geestelijke dreiging: iemand die de hoogste macht voor zichzelf opeiste. Zijn autonome eigenzinnigheid leverde hem drie excommunicaties op. Het deerde hem niet echt.

Het koninkrijk dat Frederik erfde was heterogeen van samenstelling. Zijn Normandische voorouders hadden pragmatisch geregeerd over moslims, Byzantijnen, Latijnen. Zij hielden het hof doelbewust meertalig en lieten de verschillende godsdiensten naast elkaar bestaan.

Maar tijdens zijn afwezigheid begonnen de verschillende facties van Sicilië elkaar weer te betwisten: oude adel, nieuwe adel, een rijkere burgerij en verschillende religies. Siciliaanse baronnen bouwden nieuwe burchten zonder zijn toestemming en oefenden eigen rechtspraak uit, hieven eigen belastingen en sloegen eigen munten. De adel gedroeg zich als semionafhankelijke heersers. Ook de verhouding met de nog aanwezige moslims was instabiel. Die waren goed georganiseerd en gewend aan wapengebruik. Regelmatig kwamen zij in verzet wanneer de christelijke elite hun rechten aantastte. Hun trouw was niet vanzelfsprekend: gold die de oemma of de christelijke vorst? Hun religieuze en culturele banden waren met de islamitische wereld. Dat vormde een serieus veiligheidsvraagstuk voor de vorst. Kortom, wilde zijn koninkrijk niet uiteenspatten, moest Frederik handelen.

Palermo graftombe Frederik II (eigen foto)

Bestuurbaar land

Wat zijn tijdgenoten en latere bewonderaars zo trof, was de manier waarop hij Sicilië beter wilde maken, dat wil zeggen: in zijn voorstelling vrediger en rechtvaardiger. Dat deed hij door het koninkrijk bestuurbaar te maken: macht te centraliseren, regels te standaardiseren, naleving toetsbaar te maken en afwijkingen te sanctioneren.

Deze systeembouw laat zich het best lezen in twee soorten teksten uit Frederiks kanselarij en curie. Dat zijn enerzijds de Wetten van Melfi[4], waaruit de ‘organisatiearchitectuur’ van zijn koninkrijk zichtbaar wordt: de harde lijnen van het bouwwerk. Anderzijds zijn het de brieven die Petrus de Vinea, Frederiks rechterhand, hoofd van de curie, schreef aan binnenlandse bestuurders en externe relaties als paus en andere collega-vorsten[5]. In prachtige taal geven die laatste zicht op een dynamische werkelijkheid van een bureaucratie in wording. Samen tonen zij hoe Frederik en zijn curie dachten over de structuur, de beheersing en de facilitering van het koninkrijk Sicilië.

Lex animata en bureaucratie

Boven in de structuur zit natuurlijk de vorst zelf, direct onder God, de enige aan wie hij verantwoording schuldig is. Het hele voorwoord van de Wetten van Melfi is een lange rechtvaardiging dat alle lijntjes bij de vorst uitkomen én dat hij de enige is die wetten kan maken en veranderen. Hij is zelf de wet, de lex animata, wat betekent dat hij de enige legitieme bron van recht is. Die legitimatie is niet alleen theologie maar ook bestuurlijk: zij snijdt tegenspraak de pas af en maakt centralisatie mogelijk.

De redenering volgt de pessimistische, politieke opvattingen van kerkvader Augustinus, die we al eerder in dit boek zijn tegengekomen. Door de zondeval is de mens uit het paradijs verdreven en leeft hij in zonde, dat wil zeggen behept met en vaak overmand door begeerte naar wat schaars is. Dat leidt tot conflicten en haat. God zag dat en hij wilde niet dat zijn schepping uiteenviel en daarom stelde hij vorsten aan die zijn plaatsvervangers werden. Daarom kregen zij de macht om wetten te maken én te handhaven, en zij alleen. Frederik wil ermee zeggen dat zijn alleenheerschappij een dwingende noodzaak had[6]. Hij moest mensen van na de zondeval reguleren.

Dit heeft een groot risico en dat zagen Frederik en zijn curie ook. Een vorst die wetten maakt kan zich boven de wetten plaatsen en ontsporen. Daarom benadrukken zij steeds dat de vorst ook maar een dienaar is, een knecht van God. Er zit iets machtsmatig slims in deze positionering van de vorst. Hij is dan weliswaar een dienaar maar wel een die als enige de wil van God mag en kan interpreteren en in daden omzetten. Geen enkele vorm van tegenspraak wordt geduld. Oppositie in een systeem moet geëlimineerd worden. In de Wetten van Melfi staat:

Niemand mag twisten over het oordeel, de plannen en de ondernemingen van de koning. Want twisten over zijn beslissingen, daden, grondwetten, plannen en of degene die de koning heeft gekozen wel waardig is, is vergelijkbaar met heiligschennis.[7]

Frederik deed niet alles alleen. Hij ontwikkelde een systeem dat ook los van hem zou functioneren: een hiërarchische bureaucratie, een hark. Kenmerkend hiervoor zijn heldere lijnen en functies met taken en bevoegdheden.

Curie

Direct onder hem stond de curie (Magna Curia), de raad met de hoogste ambtenaren, met eigen portefeuilles. Zo was er de hoofdrechter, die leiding gaf aan het hof en toezicht hield op alle andere rechters op Sicilië, met de leengoederen als speciaal aandachtsgebied. De staat van Frederik had een bureau opgericht voor de staatsfinanciën, dat toezicht hield op inkomsten en uitgaven. Daarnaast waren er nog gespecialiseerde rechters in de curie, zoals Petrus de Vinea, die zorgde voor de systematisering van het recht en de procedures. Deze hele curie werd ondersteund door notarissen en lagere ambtenaren. In de curie kwamen de rechterlijke, de financiële en administratieve macht samen onder het directe gezag van de vorst.

Het land kende verder een geografische en functionele indeling met tussenlagen. Zo had je provincies waaronder weer steden en gebieden vielen. De provinciale tussenlaag kende justitiarissen (rechterlijke ambtenaren) en kamerheren. De eerste hielden zich bezig met strafzaken en de tweede met civiele geschillen, al konden ze elkaar onder strikte condities wel vervangen. Zo werd regeren op afstand mogelijk: de vorst hoefde niet overal lijfelijk aanwezig te zijn.

Het is wellicht wat vreemd voor moderne ogen om in de bestuurlijke hiërarchie zoveel rechterlijke en juridische functies te zien: ambtenaren die recht spraken. Dan vallen twee dingen op. Er was geen scheiding van uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht, geen trias politica, zoals wij die kennen. Die machten liepen veel meer door elkaar. Daarnaast was de rechterlijke macht in Frederiks tijd niet alleen corrigerend en straffend, maar had deze ook een regulerende en preventieve functie[8]. De wet moest problemen voor zijn, niet alleen straffen achteraf. Dat proactieve element klinkt bijvoorbeeld door in bepalingen over gezondheid en leefomgeving[9].

Wij zijn van plan de gezondheid van de lucht zoveel mogelijk te behouden, want dit is door goddelijk oordeel aan onze zorg toevertrouwd. Daarom bevelen wij dat niemand vlas of hennep in water mag weken binnen een straal van een mijl van een stad of in de buurt van een castrum, zodat de kwaliteit van de lucht, zoals wij met zekerheid hebben vernomen, daardoor niet wordt aangetast. Wie dit toch doet, zal het vlas en de hennep die in het water zijn gelegd, verliezen en deze zullen naar onze rechtbank worden gebracht.

Wetgeving werd zo een instrument om gedrag te sturen vóórdat er conflict of schade ontstond.

Schrift, maat en bewijs

Een koninkrijk bestuurbaar maken, waarbij iedereen weet wat hij wel of niet mag doen, vraagt om meer dan verboden en geboden in wetsteksten. Daarvoor is een bureaucratisch apparaat nodig dat het land als systeem laat functioneren. Dat systeem had drie peilers: standaardisatie van normen, schriftelijke vastlegging en uniforme procedures voor toetsing en bewijs.

Zo besteedden Frederik en zijn curie veel aandacht aan de standaardisatie van het geld, gewichten en lengtematen. Toen hij zijn wetten van Melfi uitbracht, liet hij een gouden munt slaan, de Augustalis, die voldeed aan allerlei standaarden van gewicht en goudgehalte. De munt stond voor betrouwbaarheid en centrale controle. Het slaan van zilveren munten centraliseerde hij in Brindisi[10]. Gewichten en lengtes werden overal gelijk getrokken. Hij introduceerde weegschalen van staatswege. Alle koopwaar moest daarop gewogen worden[11]. Zijn standaardisatie ging gepaard met centralisatie van richtlijnen, uitvoeringspraktijken en toezicht.

Muntjes met Frederik II (eigen foto)

Hetzelfde gold voor de schriftelijke vastlegging van stukken en betalingen. Ook hier dwong Frederik standaardisatie af. Hij schafte allerlei lokale, en vaak onleesbare schrijfstijlen af, zoals die in Napels en Amalfi. Bestuurbaarheid is ook een kwestie van schrift: wat niet leesbaar is, is niet controleerbaar. Daarom werd het gebruik van gewone en leesbare letters verplicht voor alle openbare documenten. Voortaan moest er uitsluitend op perkament geschreven worden. Papyrus en katoenpapier werden daarom verboden. Alles stond in het teken van duurzaamheid, herhaalbaarheid en toetsbaarheid.

Bij deze duidelijke grondwet verklaren wij de gewoonte die naar wij hebben vernomen in bepaalde delen van ons koninkrijk in zwang is, ongeldig en schaffen wij volledig de schrijfstijl af die tot op heden in de stad Napels, het hertogdom Amalfi en Sorrento en de daartoe behorende gebieden in gebruik was.[12]

En er was meer. Hij harmoniseerde allerlei lokale wetten en gebruiken tot één geheel van wet- en regelgeving voor heel het koninkrijk[13]. Zo drong hij de variatie in rechterlijke termijnen terug en voerde overal dezelfde termijnen in[14].

Misschien nog wel belangrijker: hij rationaliseerde de bewijsvoering in rechtszaken. Zo schafte hij grotendeels het tweegevecht en ook de godsoordelen, omdat die niet rationeel waren. In plaats daarvan  standaardiseerde hij het horen van getuigen en het gebruik van documenten als bewijs.

De kweek van een staatselite

Als normen en procedures overal gelijk moeten zijn, heb je ook mensen nodig die ze op dezelfde wijze kunnen uitvoeren. Daarom hechtte Frederik veel belang aan de scholing van zijn ambtenaren. Het doel was instrumenteel: het apparaat moest draaien. Dit week af van vergelijkbare pogingen in Europa om universiteiten te stichten. Daar ging het om de vorming van een min of meer onafhankelijke gemeenschap van geleerden, in Napels om de vorming van een staatselite van functionarissen[15].

Frederik was er heel duidelijk over: wilde je wat in zijn staatsapparaat worden, dan liep de route over Napels:

En aangezien de stad Napels — de oude moeder en het tehuis van studie — door zowel haar gunstige ligging nabij de zee als de vruchtbaarheid van haar grond, voor zo’n gewichtige bezigheid bij uitstek geschikt is, hebben wij bevolen de algemene studie in die stad te hervormen: opdat de stad zelf, die door haar plaatselijke schoonheid en de overvloed aan goederen de leraren al gunstig gezind is, door haar algehele gemakken ook de studenten uit alle windstreken gastvrij mag ontvangen.[16]

Frederik prijst in een brief van 1224 allerlei pluspunten van de stad: schoonheid, overvloed aan goederen, goede bereikbaarheid en vruchtbare grond. Daarom moest juist daar het studium generale voor de nieuwe elite van het koninkrijk komen.

Allerlei vakken en beroepen moesten gegeven worden: rechten voor het kader, maar ook de vrije kunsten. Sterker, hij belooft dat in Napels alle professies onderwezen zullen worden[17]. Studenten mochten niet naar een andere plek. Ze kregen huisvesting en gunstige studieleningen, maar mochten het land niet verlaten. En wat beslist niet mocht was studeren in Bologna, op de universiteit van de rivaal. Hij verbood verder alle andere hogere opleidingen in zijn koninkrijk, zodat Napels het centrum voor de elitevorming kon worden. Maar niet alles werd gecentraliseerd. Kennelijk waren er misverstanden gerezen, want expliciet laat hij toe dat basisonderwijs gewoon mocht voortbestaan. Hij verwoordt het fraai:

En hoewel wij voor de voltooiing van de algemene studie, waarin wij onlangs in de stad Napels hebben voorzien om te worden hersteld, hebben bevolen dat de bijzondere studies overal in het koninkrijk verboden worden, is het toch niet onze bedoeling geweest om alle plaatsen zodanig van leraren te beroven, dat de eerste beginselen van de kunst van de grammatica voor de nieuwelingen worden afgesneden, als ware het de borsten voor de zogende en hongerige kinderen.[18] Zelfs centralisatie vraagt uitzonderingen: basisvorming blijft lokaal.

Maar daarmee was hij er nog niet. Ook de gezondheidszorg moest bestuurbaar worden. Salerno bleef het centrum van onderwijs en examinering. In 1231 gaf hij deze opleiding een monopolie: artsen en docenten moesten in Salerno zijn afgestudeerd.

Voor financiële ambtenaren lag dat anders. Er bestonden nog geen aparte hogere opleidingen, geen MBA’s. Rekenen en recht leverden de basis. De fijne kneepjes van het financiële vak leerde men aan het hof: welke tol mag je heffen, hoe moet je innen, hoe leg je alles vast. Boekhouden in moderne zin was er nog niet, maar het besef groeide dat financiën een belangrijke pijler van het apparaat waren.

Wat in Frederiks onderwijssysteem niet voorkomt, is de theologie, en dat is niet toevallig. Hij was voortdurend in conflict met de Roomse Kerk, ideologisch én militair, en wilde met zijn goed opgeleide ambtenarij een machtsapparaat opbouwen dat buiten de lijnen van de Kerk kon functioneren. Zijn bureaucratische hervormingen zetten ook de oude adel doelbewust voor een groot deel buitenspel: niet afkomst, maar opleiding werd toegangsbewijs tot de hogere functies. De elite kreeg een andere samenstelling en signatuur.

Manuscript Mattheüs van Parijs: rechtsboven, 1e regel stupor mundi

Diploma’s, eden en vergunningen

Een land bestuurbaar maken is een land meetbaar maken met diploma’s, eedaflegging, toezicht en straf. Wat diffuus is, moet ingekaderd worden in rollen, structuren en procedures.

Zo kon je niet zomaar ambtenaar worden. Je moest in Napels zijn opgeleid en dat met diploma’s kunnen aantonen. Daarna werd je geacht een eed af te leggen. Wie een eed aflegt, creëert een meetpunt: een belofte. Benoemingen waren er niet voor de eeuwigheid maar moesten op gezette tijden worden vernieuwd.

Eenzelfde strak regiem gold voor dokters. Pas na hun openbare examen in Salerno onder koninklijk toezicht konden ze een vergunning krijgen. Strenge regels waren er ook voor de apothekers, al hoefden die geen academische graad te hebben. Wel werd het apothekersvak als zo’n precaire maatschappelijke functie gezien dat er per twee regio’s twee toezichthouders moesten zijn voor de juiste bereiding van medicijnen. Dat die functie hoog werd ingeschat blijkt wel uit de doodstraf als zulke toezichthouders er een potje van maakten.

Voor ambachtslieden en kooplieden was er minder scholing vooraf. Kwaliteit werd afgedwongen met normen, toezicht, eden en straffen. Smeden moesten ijverig werken volgens strikte normen voor metaalzuiverheid. Daar werd op gecontroleerd. Ook militaire ambachtslieden moesten aantonen dat zwaarden en schilden van goede kwaliteit waren. Kooplieden mochten geen bedorven waar verkopen en moesten uniforme maten en gewichten gebruiken.

Wij verlangen dat alle kooplieden van ons koninkrijk hun waren verkopen met behulp van dezelfde maten en gewichten voor grote en kleine goederen en met behulp van dezelfde el die ons hof hun heeft gegeven.[19]

Wie de fout inging, kon strenge straffen verwachten. Bij de eerste overtreding kreeg je een zware geldboete, bij de tweede ging je hand eraf en bij de derde wachtte de doodstraf.

Regeren zonder overal te zijn

Zijn grondwet, zijn Liber Augustalis, maar ook zijn brieven laten zich, anachronistisch gesproken, als een universalistisch organisatieontwerp lezen. Overal in zijn koninkrijk gold hetzelfde recht, met dezelfde standaarden en procedures. Zijn systeem gold voor iedereen, of je nu Frank was, Romein of Longobard[20]. Tribale erfenissen werden teruggedrongen net als individuele privileges. In ieder geval werd willekeur op papier ingeperkt. De onderdaan kon in beginsel vertrouwen op een voorspelbare overheid die zonder aanzien des persoons recht sprak. Dat lukte volgens Frederik en zijn curie alleen in een bureaucratische staat zoals zij die in hun grondwet uitwerkten.

Systematische berichtenstromen waren essentieel. Frederik werd minutieus op de hoogte gehouden over wat er speelde in zijn koninkrijk tot in de kleinste details: van de reparatie van een kasteel tot de prijs van zout[21]. Met brieven stuurden Frederik en zijn kanselarij vervolgens het handelen van hun ambtenaren aan. Hij had een obsessie voor details en was onvermoeibaar als het om controle ging. Van het archief van deze staatscommunicatie, de registers, is nog maar een beperkt deel over.

Zo werd de vorst zichtbaar in het systeem, net als zijn onderdanen. Hij was overal aanwezig waar zijn wetten golden, zelfs als hij fysiek afwezig was. Maar dat betekende ook dat de vorst zelf van gedaante moest veranderen. Wie een rijk bestuurbaar maakt via procedures, ambten en controle, kan niet louter grillige vorst blijven. Hij moet zich voegen naar de logica van zijn eigen systeem. Bestuurders zijn gekooide leiders. Abulafia typeert deze vorm van heerschappij als government by remote control[22]. In de Wetten van Melfi klinkt het zo:

Op deze manier geloven wij, die niet overal aanwezig kunnen zijn omdat onze individualiteit dat verhindert, dat wij potentieel overal aanwezig zijn.[23]

Hadden Frederik en zijn curie vooral oog voor systemen en niet voor concrete mensen met hun angsten, begeertes en zwakheden? Niet helemaal. Zelfs in een systeem kan de top ontsporen, en dus grijpt Frederik terug op een oud middel: een vermanende brief aan zijn zoon Koenraad.

Geen moraal maar sociale techniek

Die brief schrijft hij in 1244. Het is een tekst over de vraag hoe een goed heerser te zijn[24]. Opvallend is niet zozeer de inhoud, maar dat hij uit een heel ander register komt: dat van de traditionele vorstenspiegels. Doe dit, laat dat en denk erom. Hij is kort, nog geen twee boekpagina’s lang[25]. Wat verder opvalt is de formele toon. Hier is geen sprake van ‘quality time’  van vader en zoon, maar eerder van een monoloog van een senior-vorst tegen zijn zoon. De brief begint met:

Frederik, bij de gratie Gods keizer van de Romeinen, altijd Augustus, koning van Jeruzalem en Sicilië, aan zijn geliefde zoon Koenraad, koning, enz.

Daarna volgt een paragraaf waarin Frederik zijn zoon aanspoort om vooral te deugen, en wat hij daarmee bedoelt, is hem te gehoorzamen. Want ‘de glorie van een vader is een wijze zoon, en de gehoorzaamheid van een zoon aan zijn vader’. Koenraad moet goed naar hem luisteren en vooral natuurlijk naar zijn vaders adviezen. En welke dat zijn, komt in het volgende deel aan de orde. Hij moet vooral zijn omgang met de mensen in zijn omgeving reguleren. Vanaf hier volgt geen moraal, maar sociale techniek. Hij moet edellieden adviseren en naar hen luisteren, en vleiers en lasteraars mijden. Geestelijken moet hij eren, maar alleen als ze onpartijdig zijn; soldaten streng behandelen, maar onderdanen mild en rechtvaardig. Ook voor de vrije tijd gelden regels: alles met mate, vooral bij de valkenjacht, en geen familiaire omgang met jagers en schutters. Die zijn maar ruw in de mond en in gedragingen ondermijnend voor waardigheid en zeden. Anders gezegd, hij moet zijn omgeving ‘managen’ met selectieve raadplegingen, instrumenteel ontzag voor de Kerk en sociale afstand houden tot het gemene volk. Hij is een ambtsdrager.

Opvallend is vooral wat Frederik níét doet. Hij biedt geen uitgewerkte deugdenleer, geen hoger beginsel, nauwelijks iets dat op zielzorg lijkt. In plaats daarvan komt hij met omgangsregels en waarschuwingen die de orde rond de troon werkbaar moeten houden. Zelfs de eerbied voor prelaten krijgt een voorbehoud mee: alleen als ze neutraal zijn. Hier spreekt geen vorstenvormer, maar een bestuurder die weet hoe snel een ambtsdrager kan ontsporen, zelfs met een systeem. Bij Frederik ging het in zijn vermaning om systeembehoud, niet om een deugdzame zoon.

De bewondering blijft

Het stormt hard wanneer ik naar de poort van Castello Maniace loop, het grote fort waar Frederik ook aan heeft gebouwd. De hoge, ruime gotische zaal is van zijn tijd, toen hij het fort voor representatieve doeleinden liet ombouwen. Aan de rand van het voorplein liggen wat gebroken zuilen. Eentje staat er nog rechtop. Mijn ogen knijpen samen. Mijn buik trekt samen. Als ik er ben, zie ik het: dit is geen oudheid, dit is nieuw. De vorm wijkt ook af: achthoekig. Hij is iets groter dan ik. Dan zie ik dat op elke zijde een tekst gebeiteld is. Ik kom wat dichterbij en lees iets bekends: … stupor mundi… immutator mirabilis… Zo’n moderne zuil en dan die tekst. Die is van Matteüs van Parijs. Ik lees het citaat en de vertalingen die op andere zijden zijn gebeiteld. Het klopt: dit gaat over wie ik nu lees en schrijf: Frederik II. Wat bij Matteüs nog 13e-eeuwse verbazing was, is nu een eerbetoon.

Principum
Mundi Maximus
Stupor Mundi
et Immutator
Mirabilis

De grootste der vorsten
van de wereld
de verbazing van de wereld
en de wonderbaarlijke
veranderaar

Terug in mijn appartement achterhaalde ik snel waar deze erezuil vandaan kwam. Er blijken er meer van te zijn: meer dan dertig. Overal waar een herinneringsplek is aan de dynastie van de Staufers (het geslacht van Frederik) is zo’n zuil te vinden[26]. Daar zorgde een notabel en intellectueel gezelschap in Duitsland en Oostenrijk voor: Komitee der Stauferfreunde. Hun bewondering voor rationaliteit, empirisme, universalisme, seculariteit en moderniteit is in Syracuse op die zuil te zien. Het Komitee bestaat inmiddels niet meer. Maar Frederiks reputatie staat nog steeds als een huis.

Syracuse Castello Maniace: herinneringszuil Frederik II (eigen foto)
Literatuur

Abulafia, David. Frederick II, a Medieval Emperor. Allen Lane the Penguin Press, 1988.

Fridericus II, Imperator Romanorum. ‘Epistula “Gloria genitoris”’. Herzog August Bibliothek Wolfenbüttel, ca 1244. Fol. 83v–84r. Cod. Guelf. 298 Helmst. https://diglib.hab.de/?db=mss&list=ms&id=298-helmst&catalog=Lesser.

J.L.A. Huillard-Bréholles, red. Historia Diplomatica Friderici Secundi 1241-1247. Tomus VI, pars Prima. Henricus Plon, 1860.

Kantorowicz, Ernst. Frederick the Second 1194-1250. Vertaald door E.O. Lorimer. 1931; Frederick Ungar Publishing Co., 1957.

Mruk, Marcin. ‘The Constitutional Principles of the Kingdom of Sicily under Frederick II Hohenstaufen’. Krakowskie Studia z Historii Państwa i Prawa 17, nr. 3 (2025): 271. https://doi.org/10.4467/20844131KS.24.021.21005.

Petrus de Vinea. Friderici II. Imperatoris epistulae. 1. Nachdruck der Ausgabe Basel 1740. Onder redactie van Johann Rudolf Iselin. Weidmann, 1991.

Powell, James M., vert. LIBER  AUGUSTALIS  Constitutions of Melfi  Promulgated by the Emperor Frederack II  for the Kingdom of Stily  im 123]. Syracuse University Press, 1971.

Noten

[1] Kantorowicz, Ernst. Frederick the Second 1194-1250. Vertaald door E.O. Lorimer. 1931; Frederick Ungar Publishing Co., 1957. P.356

[2] Abulafia, David. Frederick II, a Medieval Emperor. Allen Lane the Penguin Press, 1988. P.108

[3] ibidem. P.365

[4] Powell, James M., vert. LIBER  AUGUSTALIS  Constitutions of Melfi  Promulgated by the Emperor Frederack II  for the Kingdom of Stily  im 123]. Syracuse University Press, 1971.

[5] Petrus de Vinea. Friderici II. Imperatoris epistulae. 1. Nachdruck der Ausgabe Basel 1740. Onder redactie van Johann Rudolf Iselin. Weidmann, 1991. Petrus de Vinea. Friderici II. Imperatoris epistulae. 2. Nachdruck der Ausgabe Basel 1740. Onder redactie van Johann Rudolf Iselin. Weidmann, 1991.

[6] Abulafia, David. Frederick II, a Medieval Emperor. Allen Lane the Penguin Press, 1988. P.205

[7] Powell, James M., vert. LIBER  AUGUSTALIS  Constitutions of Melfi  Promulgated by the Emperor Frederack II  for the Kingdom of Stily  im 123]. Syracuse University Press, 1971. P.11

[8] ibidem. P.15

[9] ibidem. P.132

[10] Abulafia, David. Frederick II, a Medieval Emperor. Allen Lane the Penguin Press, 1988. P. 223

[11] Kantorowicz, Ernst. Frederick the Second 1194-1250. Vertaald door E.O. Lorimer. 1931; Frederick Ungar Publishing Co., 1957. P.285

[12] Powell, James M., vert. LIBER  AUGUSTALIS  Constitutions of Melfi  Promulgated by the Emperor Frederack II  for the Kingdom of Stily  im 123]. Syracuse University Press, 1971.p.50

[13] Frederik was hierin niet uniek. In heel Europa zag je in die tijd dat koningen hun rijken aan het bureaucratiseren waren en staatsapparaten ontwikkelden met een professionele ambtenarij.

[14] Powell, James M., vert. LIBER  AUGUSTALIS  Constitutions of Melfi  Promulgated by the Emperor Frederack II  for the Kingdom of Stily  im 123]. Syracuse University Press, 1971. P.101

[15] Mruk, Marcin. ‘The Constitutional Principles of the Kingdom of Sicily under Frederick II Hohenstaufen’. Krakowskie Studia z Historii Państwa i Prawa 17, nr. 3 (2025): 271. https://doi.org/10.4467/20844131KS.24.021.21005. P.283

[16] Iselin, Johann Rudolf, red. Friderici II. Imperatoris epistulae. 2. Nachdruck der Ausgabe Basel 1740. Weidmann, 1991. P.401. Vert. Gemini feb 26.

[17]ibidem. P.403 vert. Gemini feb. 2026

[18] ibidem. P.408

[19] Powell, James M., vert. LIBER  AUGUSTALIS  Constitutions of Melfi  Promulgated by the Emperor Frederack II  for the Kingdom of Stily  im 123]. Syracuse University Press, 1971. P.135

[20] ibidem. P.79

[21] Abulafia, David. Frederick II, a Medieval Emperor. Allen Lane the Penguin Press, 1988. 325

[22] ibidem. P. 325

[23] Powell, James M., vert. LIBER  AUGUSTALIS  Constitutions of Melfi  Promulgated by the Emperor Frederack II  for the Kingdom of Stily  im 123]. Syracuse University Press, 1971. P.21

[24] Fridericus II, Imperator Romanorum. “Epistula ‘Gloria genitoris’”. Herzog August Bibliothek Wolfenbüttel, ca 1244. Fol. 83v–84r. Cod. Guelf. 298 Helmst. https://diglib.hab.de/?db=mss&list=ms&id=298-helmst&catalog=Lesser. Tot op de dag van vandaag wordt 1244 aangehouden: Pietro Colletta. (2017). Un’epistola di Frederico II: Testo latino e versione Siciliana e Catalana a confronto. Classica et Christiana, 12, 89-118. P.90

[25] Ik volg hier de gedrukte versie: J.L.A. Huillard-Bréholles (Red.). (1860). Historia Diplomatica Friderici Secundi 1241-1247: Vol. Tomus VI, pars prima. Henricus Plon. P. 245. Functioneel vertaald met ChatGTP, DeepL.

[26] Stauferstelen – Die Dokumentation