Covey: vorstenspiegel voor het verdwaalde zelf

Zijn boeken werden in vele talen vertaald en zijn seminars trokken volle zalen. Hij stond maandenlang hoog in de Amerikaanse hitlijsten, ook in Nederland. Miljoenen mannen en vrouwen liepen met hem weg. Eindelijk was er iemand die hen begreep: Stephen Covey.

Termen als cirkel van invloed en emotionele bankrekening raakten ingeburgerd. Zijn ideeën over potentie en karaktervorming vonden hun weg naar organisaties en scholen. Zijn bekendste boek, The 7 Habits of Highly Effective People, in het Nederlands De zeven eigenschappen van effectief leiderschap, groeide uit tot een van de invloedrijkste management- en zelfhulpboeken van de twintigste eeuw.

Hoe is dat succes te verklaren? Kennelijk wist Covey ervaringen en problemen onder woorden te brengen waarin velen zich herkenden én hen een geloofwaardige uitweg te bieden.

Er bestaat al een Nederlandse studie waarin Covey vanuit de retorica van het populaire managementboek wordt gelezen. Klifman onderzoekt vooral hoe zulke boeken overtuigen en welke retorische conventies eraan ten grondslag liggen[i]. Mijn vraag is een andere. Mij interesseert hier niet zozeer hoe Covey zijn lezers overtuigt, maar welk samenhangend wereldbeeld uit zijn managementboeken naar voren komt. Ik lees hem daarom als ideeënhistoricus: welk probleem ziet hij, welke oplossing ontwikkelt hij en welke vooronderstellingen maken die oplossing mogelijk?

Mensen in nood

De voorbeelden die Covey gebruikt, laten snel het brede spectrum van zijn leer zien. In Canada stapt Covey bij een taxichauffeur in die klaagt over dubbelzien en hoe lastig dat is bij het rijden[1]. Maar Covey vraagt door, snapt de werkelijke oorzaak en komt met een oplossing. Een andere keer geeft hij raad aan een man die zijn hart lucht over zijn vastgelopen huwelijk: de liefde is verdwenen en geen therapie heeft geholpen.[2] Zelfs op een conferentie van wereldleiders over de relatie tussen de islam en het Westen zou Covey volgens eigen zeggen het vastgelopen gesprek weer op gang hebben gebracht. Een aanwezige Amerikaanse oud-minister van Buitenlandse reageerde verbluft: ‘Ik heb nog nooit zoiets krachtigs gezien’. Coveys interventie zou de internationale diplomatie kunnen veranderen.[3]

De voorbeelden verschillen sterk. Of het nu een taxichauffeur, echtgenoot of minister betrof, Covey zag overal hetzelfde patroon. Mensen liepen vast in hun vertrouwde manier van doen. Techniek, goede wil, ervaring of cursussen boden geen uitkomst meer.

Paradigmaswitches

Volgens Covey kwam dat doordat zij hun problemen vanuit een verkeerd uitgangspunt interpreteerden. Daardoor namen ze steeds de verkeerde afslag. Hij gebruikt hiervoor de term paradigma. Enigszins wonderlijk is dat wel, omdat het een woord is met een grote deftigheid. Het roept de autoriteit op van wetenschapsgeschiedenis en kennisfilosofie, waarin paradigmawisselingen staan voor fundamentele veranderingen in de manier waarop mensen de werkelijkheid begrijpen. Hij had ook gewoon kunnen zeggen: bekijk het eens van een andere kant. Maar dat doet hij niet. Hij heeft het begrip ‘paradigma’ nodig om zijn punt te maken. De mens vergist zich niet zomaar. Hij is fundamenteel verdwaald, omdat hij met de verkeerde kaart op pad is. Daarom struikelt hij telkens opnieuw.

Covey roept daarvoor grote getuigen op. Thomas Kuhn levert het begrip paradigma, Copernicus en Einstein tonen hoe een nieuw wereldbeeld een oud kan vervangen. Ook Jefferson verschijnt als getuige: hij verving het monarchale paradigma door het republikeinse. Met grootse gevolgen, aldus Covey: ‘Uit dat paradigma is het vrijste volk en het welvarendste land uit de geschiedenis voortgekomen[4]’.

Wat geldt voor wetenschappelijke veranderingen en voor politieke omwentelingen, gold voor Covey ook voor het persoonlijke leven: Problemen thuis, op je werk, in de organisatie los je niet zomaar op met een nieuwe vaardigheid of techniek. Daar zijn fundamentele veranderingen in de zienswijze voor nodig, net zoals bij grote historische veranderingen. Daarmee gaf de man alledaagse problemen diepte, ernst én een uitweg. Het lag niet aan domheid of pech, slechte vaardigheden of een verkeerde houding, maar aan een verkeerde kaart.

‘Paradigma’s zijn als landkaarten. Ze zijn niet het gebied zelf.’

In zijn eigen woorden: ‘paradigma’s zijn als landkaarten. Ze zijn niet het gebied zelf (…) als we ergens in Detroit proberen te komen terwijl we alleen een kaart van Chicago hebben – dan zal het heel moeilijk zijn om onze bestemming te bereiken. We kunnen aan ons gedrag werken: efficiënter reizen, (…) harder rijden. Maar dan komen we alleen maar sneller op de verkeerde plek terecht. (…) Maar het probleem heeft in werkelijkheid niets met houding of gedrag te maken. Het probleem is dat we de verkeerde kaart hebben.[5]’ Dat is Coveys diagnose van de moderne mens: hij navigeert met de verkeerde kaart. Maar hoe vindt hij dan zijn weg? En heeft hij daarvoor nog wel een kaart nodig?

De weg vinden

Coveys oplossing is niet om met een betere kaart te komen. Je zou denken: vervang de foute kaart door een goede en het probleem is opgelost. Maar Covey kiest voor een andere route. Voor hem blijven kaarten subjectieve pogingen van mensen om hun wereld in beeld te brengen. Ze kunnen verouderen of te simpel zijn voor de complexiteit en dynamiek van de omgeving. Zoals Covey zelf zegt: ‘wanneer het terrein voortdurend verandert, wanneer markten constant verschuiven, is elke kaart al snel verouderd.’[6] Daarom beveelt hij aan om van kaart naar kompas over te stappen. Niet een nieuwe afbeelding van de werkelijkheid moet de mens redden, maar een vermogen om zich op vaste punten te oriënteren.

Wat zijn die vaste punten? Covey noemt ze principes: ‘Principes zijn niet door mensen of door de samenleving bedacht. Het zijn wetten van het universum die gelden voor menselijke relaties en organisaties.’[7] Hij maakt van principes dus natuurwetten in het menselijke domein. Zoals niemand de zwaartekracht heeft uitgevonden of kan opheffen, zo kan ook niemand aan de werking van principes ontsnappen. Covey zegt het zelf nog sterker: ‘we zouden net zo goed kunnen proberen de seizoenen te herschikken of de werking van de zwaartekracht op te heffen, als de gevolgen te veranderen van het schenden van natuurwetten in de menselijke dimensie.’[8] Principes liggen buiten de invloedsfeer van mensen. Ze zijn vaste punten, voor iedereen, waar ook.

Hans Brugkmair de Oudere, Drie pelgrims op het kruispunt, ca. 1508,
The Museum of Fine Arts, Houston

Causale én finale werking van principes

Voor Covey leggen principes oorzaak-gevolgrelaties vast: als dit gebeurt, dan volgt dat. Laat ik de bal los, dan valt die. Maak ik een fout, dan zal ik de gevolgen ervan ondervinden. Het laatste voorbeeld is een oorzaak-gevolgrelatie, niet in het fysieke maar in het menselijke domein. In die richting denkt Covey.

Hij licht dat toe aan de hand van de analogie van de boerderij: ‘In de natuur zien en erkennen we gemakkelijk dat natuurwetten en principes het werk beheersen en de oogst bepalen.’ In die wereld voegen we ons naar natuurlijke, biologische wetmatigheden. Elders zegt hij komisch: ‘Kun je de koe twee weken niet melken en dan naar buiten gaan en melken als een gek? Kun je ‘vergeten’ te planten in het voorjaar of de hele zomer luieren en dan in het najaar heel hard aan de slag gaan om de oogst binnen te halen? … Het enige dat op de lange termijn standhoudt is de wet van de boerderij: ik moet de grond voorbereiden, het zaadje poten, het cultiveren, wieden en water geven, en dan geleidelijk de groei en ontwikkeling koesteren tot volledige rijpheid.’

Zoals een boer zich naar de natuurwetten moet voegen om te kunnen oogsten, zo moet de mens zich richten naar de principes om effectief te zijn. Wie trucjes gebruikt, met de verkeerde landkaart werkt of snelle resultaten nastreeft, schendt de Wet van de Boerderij.

‘Het enige dat op de lange termijn standhoudt is de wet van de boerderij.’

Principes in het menselijke domein

Maar welke principes zijn dat eigenlijk? Covey noemt er verschillende.

Covey begint bij het karakter. Wie effectief wil zijn, moet allereerst integer en betrouwbaar zijn. Wat iemand belooft, moet hij doen, en de verwachtingen die hij oproept, waarmaken. Integriteit is bij Covey toekomstgericht in tegenstelling tot eerlijkheid, dat meer over de werkelijkheid nu of het verleden gaat.  ‘Eerlijkheid betekent de waarheid spreken; met andere woorden: onze woorden in overeenstemming brengen met de werkelijkheid. Integriteit betekent de werkelijkheid in overeenstemming brengen met onze woorden; met andere woorden: beloften nakomen en verwachtingen waarmaken.[9]

Tot een goed karakter hoort ook nederigheid, de belangrijkste deugd. Bij Covey betekent het dat je erkent dat er zaken zijn groter dan jezelf. In zijn eigen woorden: ‘In feite zou je kunnen zeggen dat nederigheid de moeder van alle deugden is, omdat nederigheid erkent dat er natuurwetten of principes zijn die het universum regeren. Zij hebben de leiding. Trots leert ons dat wij de leiding hebben. Nederigheid leert ons om principes te begrijpen en ernaar te leven, omdat zij uiteindelijk de gevolgen van onze daden bepalen.’[10] Nederigheid houdt de mens afgestemd op het morele universum. Zij maakt hem leerbereid en open voor feedback[11].

Van karakter gaat Covey naar relaties. Die kunnen volgens hem pas effectief en waardevol worden als mensen zich voegen naar twee grondregels: vertrouw elkaar en wees empathisch. Of zoals hij het zelf zegt: ‘Communicatie is uiteindelijk niet zozeer een kwestie van verstand als wel van vertrouwen en de aanvaarding van anderen, van hun ideeën en gevoelens, en van de erkenning dat zij anders zijn en dat zij vanuit hun eigen gezichtspunt gelijk hebben.’[12] Vertrouwen en empathie maken effectieve communicatie mogelijk en verbinden mensen met elkaar. De kwaliteit van relaties vloeit voort uit onderliggende morele oorzaken.

Maar daarmee is Covey er nog niet. Als het om de menselijke betrekkingen gaat, blijft er nog één principe over: dat van de rechtvaardigheid. Want ‘hoe absurd het zou zijn om een leven te leiden of een bedrijf te runnen op basis van de tegenpolen hiervan. Ik betwijfel of iemand serieus onredelijkheid, bedrog, laagheid, nutteloosheid, middelmatigheid of verloedering zou beschouwen als een solide fundament voor blijvend geluk en succes’[13]. Rechtvaardigheid krijgt hier naast een morele ook een uitgesproken functionele betekenis. Samenlevingen en organisaties die haar veronachtzamen bewegen zich volgens hem naar desintegratie; wie haar respecteert, naar stabiliteit en bloei. ‘In de mate waarin mensen dergelijke basisprincipes als redelijkheid, billijkheid, rechtvaardigheid, integriteit, eerlijkheid en vertrouwen erkennen en ermee in harmonie leven, bewegen zij zich naar overleving en stabiliteit aan de ene kant, of desintegratie en vernietiging aan de andere kant.’[14]

Zijn functionalistische duiding van rechtvaardigheid past goed bij zijn analogie van de boerderij. Wat op de akkers en in de stallen geldt, geldt ook in het menselijke leven. Je hebt met de biologisch-natuurlijke principes rekening te houden als je hoge opbrengsten wilt. Rechtvaardigheid is net zo’n principe. Zijn analogie van de boerderij is daarom meer dan een illustratie. Covey begrijpt menselijke relaties, organisaties en samenlevingen ook als organismen die kunnen groeien, bloeien of juist vervallen.

In die zin is hij een biomorfe denker.

Van daaruit is het begrijpelijk dat Covey nog een stap verder gaat en het belang van bijdragen aan een groter geheel benadrukt. De mens moet uit zijn op oplossingen die voor iedereen gunstig zijn: win-winsituaties. Zoals Covey schrijft: ‘Het betekent samenwerken, samen communiceren en samen dingen tot stand brengen die diezelfde mensen onafhankelijk van elkaar niet hadden kunnen realiseren.’[15] Voor leidinggevenden volgt daaruit een duidelijke opdracht: een kader scheppen waarin de doelen van de organisatie en medewerker samenvallen zodat mensen zichzelf kunnen sturen en groeien.[16]

Zo vallen bij Covey ethiek en effectiviteit uiteindelijk volledig samen. Het moreel juiste is ook het werkzame. Wie daarvan afwijkt, zal vroeg of laat vastlopen. Zijn morele huis staat.

‘Principes zijn vanzelfsprekende, zelf-validerende natuurwetten. Ze veranderen of verschuiven niet. Ze bieden een ‘ware noorden’-richting aan ons leven bij het navigeren door de ‘stromen’ van onze omgevingen.’[17]

Maar hoe weet Covey dit nu allemaal? Al deze principes presenteert Covey als morele natuurwetten. Houd je er rekening mee, dan ben je effectief; doe je dat niet, dan loop je vast. Een verdere fundering geeft hij niet. Zijn antwoord is eenvoudig: het is zelf-evident. Het spreekt voor zichzelf. Je ziet het toch? Wie de principes volgt slaagt, wie dat niet doet, faalt. In de praktijk worden de principes bewezen door successen én door mislukkingen: door alles dus.

Pieter Brueghel de Oude, De oogsters, 1565,
MET New York, Open Access

Potentie

Er is nog één veronderstelling die Covey nodig heeft om zijn theorie bruikbaar te maken. Zonder dit heeft hij geen schijn van kans om wie dan ook te overtuigen. Het draait om het begrip potentie. Als je mensen ziet strompelen in hun bestaan, en er zou geen enkele mogelijkheid zijn om te leren en te verbeteren, zou zijn hele exercitie over principes hoogstens interessant zijn geweest. De nieuwsgierige geest had het wellicht geboeid, maar niet de velen die aan hun bestaan een draai willen geven. Wil hij een bruikbare theorie formuleren, dan moet hij ruimte scheppen voor potentie. En dat doet hij ook. Covey situeert die potentie op drie niveaus.

Zo poneert hij de vrijheidsmarge die elk individu heeft tussen de prikkels die hij van buiten krijgt en het antwoord dat hij daarop geeft. De mens is geen stimulus-respons automaat. In die vrije zone zijn het geweten, de verbeelding, de wil en het zelfbewustzijn aan het werk. Daardoor zijn keuzes mogelijk. Daarnaast benadrukt hij dat mensen vol verborgen talenten en mogelijkheden zitten, die helaas veel te weinig tot ontwikkeling kunnen komen in organisaties en scholen. Volgens Covey belemmeren organisaties en scholen die ontwikkeling vaker dan dat zij haar bevorderen.

Maar hij blijft niet bij het individu hangen, want ook menselijke relaties zelf hebben ongekende mogelijkheden in zich. Wanneer mensen met elkaar problemen gaan oplossen of ongekende uitdagingen aangaan, kunnen ze tot onverwachte vondsten komen waar ze ieder apart niet op waren gekomen. Covey vindt dat het meest opwindende van samenwerking. De relatie tussen de delen is zelf een bestanddeel van het geheel. Menselijke betrekkingen worden daarmee een eigen werkelijkheid, met een eigen werking en eigen mogelijkheden. Over de synergie die kan ontstaan is Covey laaiend enthousiast. Want juist synergie zet het meeste in beweging, schept de sterkste verbondenheid en roept de meeste inspiratie op.[18] Daar ontstaan de creativiteit, het onverwachte en het nieuwe. Daar ligt de potentie.

Ten slotte moet het wel mogelijk zijn iets in de wereld te veranderen. Wanneer de werkelijkheid in beton gegoten is en de mogelijkheden voor verandering zijn nihil, dan kun je nog zoveel bedenken en willen, maar resultaten blijven uit. Daarom stelt Covey dat de werkelijkheid zelf vol mogelijkheden zit. Zij kenmerkt zich door overvloed (abundance) en wordt niet door gebrek en schaarste geregeerd. In zijn beschrijving van de overvloedmentaliteit schrijft hij:

Overvloedmentaliteit. De derde karaktereigenschap die essentieel is voor win-win is de overvloedmentaliteit: het paradigma dat er daarbuiten genoeg is voor iedereen[19].

Dat daarbuiten is veelzeggend. Overvloed is bij Covey niet alleen een optimistische geesteshouding. Zij lijkt ook een eigenschap van de werkelijkheid waarop de mens zich kan afstemmen. In de Nederlandse vertaling is dat out there weggelaten[20].  Deftig gezegd: het ontologische accent is een psychologisch accent geworden.

Covey heeft op deze drie niveaus het begrip potentie nodig om zijn leer überhaupt mogelijk te maken. Zo geeft hij zijn praktische adviezen een natuurlijke basis en een logische rugdekking.

Maar daarmee is nog niet alles gezegd. Wanneer mensen creatief zijn en van alles bedenken, blijven ze dan nog wel op het goede pad? Anders gezegd, worden ze niet egoïstisch, materialistisch of nog erger? Covey staat zeker open voor vernieuwingen, onverwachte inzichten of vondsten, maar niet onbeperkt. Alles blijft wel onderworpen aan de morele natuurwetten van vertrouwen, nederigheid, rechtvaardigheid en wederzijds voordeel. De vraag is dan hoe de mens afgestemd wordt en blijft op die principes[21]. Hoe ontdekt hij het ware noorden?

Het ware noorden

Het ware noorden bestaat uit de principes die Covey in zijn boeken beschrijft. Het zijn externe realiteiten. Zoals het magnetische noorden zijn ze stabiel en altijd aanwezig. Er zit geen grammetje subjectiviteit aan vastgekleefd, in tegenstelling tot kaarten waar persoonlijke waarden, autobiografie en interpretaties de boventoon voeren. Dat hebben de principes allemaal niet en daarom zijn zij bij uitstek geschikt om op te navigeren, aldus Covey. Zij zijn het ware noorden.

De mens heeft dan wel een kompas nodig dat dat ware noorden goed aangeeft. Covey plaatst die gids vanzelfsprekend in de mens zelf. Die innerlijke monitor is het geweten en kan op een laag, gemiddeld of hoog niveau opereren, ergens op een schaal dus[22]. Op een laag niveau volgt de mens zijn zelfzuchtige verlangens. Op een gemiddeld niveau richt hij zich naar sociale verwachtingen. Hij heeft een sociaal geweten. Pas op het hoogste niveau wijst het geweten naar het ware noorden: de principes. Dan is het een spiritueel geweten geworden. Dan ontstaat ook de wijsheid: het vermogen om te zien hoe de dingen zouden moeten zijn en hoe dat inzicht toe te passen op praktische situaties. Een groot voordeel van deze dimensionering van het geweten is dat het ontwikkelbaar wordt. Het geweten is daardoor niet alleen een innerlijk kompas, maar ook een vermogen dat zich laat trainen en verfijnen.

Het lichaam en de affecten

Maar kan de mens ook omlaag getrokken worden? In vorstenspiegels en andere leiderschapsboeken is dat een terugkerend thema. Houdt de leider stand of wordt hij uit koers gebracht door krachten die sterker zijn dan de rede? Zeker, ook bij Covey kan de mens afwijken van de juiste koers. Er zijn twee grote factoren die als een verstorend magnetisch veld op het kompas inwerken en de naald doen afwijken: het lichaam en de affecten.

Covey zet zichzelf in de lange traditie van leiderschapsdenken waarin de leider meester moet worden over zijn lichaam en zijn affecten. Wanneer fysieke begeerten en hartstochten de boventoon voeren, vertroebelen zij het oordeelsvermogen. De gevolgen voor de sociale relaties, voor alles eigenlijk, laten zich niet moeilijk raden. Of hij zo uit het Rome van de stoïcijnen is weggelopen roept Covey uit: ‘Of wij beheersen onze begeerten en hartstochten, of zij beheersen ons’[23].

Covey moet niet veel hebben van een gemakzuchtig leven dat geconcentreerd is rond plezier en genot[24]. Een paar onschuldige pleziertjes mogen nog, maar wie zich overgeeft aan genot wil steeds meer, steeds beter en nog meer opwinding. Dus geen lange vakanties, niet te veel videogames, niet te veel films en tv. Ook in de seksualiteit vindt men in Covey een terughoudende leermeester. Pornografie en andere obscene verleidingen stompen volgens hem het geweten af en ondermijnen het karakter.

Als we de aantrekkingskracht van het lichaam kunnen overwinnen door ’s ochtends vroeg op te staan – de geest boven de matras te stellen (mind over mattress) – behalen we onze eerste overwinning van de dag. (…) Want door kleine overwinningen worden grote dingen bereikt.[25]

Voor Covey moet de mens geen slaaf van zijn affecten worden. Niet voor niets echoot hij het oude adagium dat zelfbeheersing de ware vrijheid is. Zijn ideale mens is daarom niet reactief, maar proactief: iemand die zijn impulsen ondergeschikt maakt aan het geweten en zich blijvend richt op het Ware Noorden.

De zeven eigenschappen van effectief leiderschap

Coveys beroemdste boek uit 1989 moet mijns inziens geplaatst worden in zijn morele natuurfilosofie die ik hiervoor heb gereconstrueerd uit zijn managementboeken. Dan wordt duidelijk dat hij geen losse verzameling tegeltjeswijsheden levert, tips voor alledag, maar handelingsvoorschriften die in de context van dat wereldbeeld staan. Zijn zeven eigenschappen zijn te ontwikkelen karaktereigenschappen waarmee de mens zich duurzaam op het morele noorden kan richten.

Samen vormen zij een oefenweg. De eerste drie begeleiden de ontwikkeling van afhankelijkheid naar onafhankelijkheid. Iemand die zichzelf goed wil leiden moet proactief zijn, steeds beginnen met zijn einddoelen voor de geest te halen, en weten wat in zijn dagelijkse leven belangrijk is en urgent, en het belangrijkste voorrang geven. De volgende drie betreffen de omgang met anderen. Eerst zoekt de mens naar een oplossing waarvan iedereen beter wordt (win-win). Vervolgens probeert hij de ander eerst te begrijpen, voordat hij zelf begrepen wil worden. Ten slotte zoekt hij actief naar synergie: samen weet je meer en ben je creatiever dan ieder afzonderlijk. De zevende eigenschap is het advies de zaag scherp te houden. De mens moet zich altijd blijven ontwikkelen en moet blijven leren. Hij is immers zijn eigen instrument en dat instrument vraagt onderhoud.

Zo vertaalt Covey zijn morele natuurfilosofie in zeven aan te leren gewoonten, voorzien van voorbeelden uit management, huwelijk, onderwijs en van concrete ontwikkeltips en werkwijzen. Wanneer de mens zo gevormd is, kan hij leiding aan zichzelf geven en, zich richtend op de universele principes, anderen stimuleren, steunen en aansturen. Hij doolt niet langer door een complexe en dynamische wereld, maar trekt welbewust en zelfverzekerd op naar het goede, uitgerust met een goed getraind geweten dat naar het Ware Noorden wijst. Coveys morele orde blijft niet steken in abstracties. Zijn bestseller The 7 Habits biedt een oefenprogramma.

Wat in dit essay nauwelijks aan de orde is gekomen, is de religieuze bedding van Coveys denken. Ik heb me beperkt tot de Covey van de latere managementboeken. Zijn vroege boeken, zoals Spiritual Roots of Human Relations en The Divine Center, zijn expliciet christelijk-mormoons en behandelen thema’s die ook in De zeven eigenschappen terugkeren: objectieve morele beginselen, karaktervorming, innerlijke bekering, geweten en voortdurende persoonlijke groei. In zijn latere managementboeken verschijnt dit gedachtegoed in een universeler vocabulaire, zonder dat daarmee noodzakelijk ook de onderliggende denkwijze verandert. Om die verhouding goed te kunnen beoordelen, zou eerst ook het christelijk-mormoonse wereldbeeld van de vroege Covey gereconstrueerd moeten worden. Pas daarna valt vast te stellen waar continuïteit bestaat en waar breuken optreden. Dat vergt een afzonderlijke ideeënhistorische studie.

Titelpagina van Petrus Belluga’s „Speculum Principum“ (Brussel: 1655),
© De beheerders van het British Museum. Gedeeld onder een Creative Commons

Voor de strekking van dit essay verandert die openstaande vraag de conclusie niet. Covey schreef geen managementboek dat toevallig ook over het leven ging. Hij schreef een moderne vorstenspiegel, niet voor koningen of een kleine elite aan de top, maar voor iedereen die samenwerkt, sturing geeft en met anderen naar oplossingen voor problemen zoekt. Covey zag haarscherp dat leiderschap tot in de kleinste haarvaten van de samenleving voorkomt: in de sportkantine, in huis, op school en ja, ook in organisaties. Juist doordat hij zelfbestuur, omgang met anderen en leidinggeven in één leer bijeenbracht, vond zijn algemene levensleer ingang in de wereld van managers en professionals. Hij heeft de vorstenspiegel gedemocratiseerd. Dat is het moderne. Tegelijk echoot in zijn werk een veel oudere traditie van vorstenspiegels en christelijke karaktervorming. Achter de taal van effectiviteit, gewoonten en leiderschap gaat een samenhangend wereldbeeld schuil, waarin de mens zijn plaats moet vinden in een objectieve morele orde.

Daarin lag de aantrekkingskracht van Covey. Hij beloofde niet alleen richting, maar ook effectiviteit. Wie zich naar de objectieve principes richtte, zou niet langer verdwalen of vastlopen, maar doelgericht kunnen handelen. In een dynamische en onoverzichtelijke wereld gaf hij met zijn moderne vorstenspiegel de mens weer een vast noorden én vaste grond onder de voeten. Althans, dat vond hij.


[i] Klifman, H. (2019). Cicero leest Covey: Retorica in populaire managementboeken. Harm Klifman. p.12

[1] Covey, S. R. (2012). The Wisdom and Teachings of Stephen R. Covey. Free Press. in: the Princple of Integrity.[2] Covey, S. (2011). De zeven eigenschappen van effectief leiderschap (54e druk). Business Contact. p.14

[3] Covey, S. R. (2012). The Wisdom and Teachings of Stephen R. Covey. Free Press. In section: The Principle of Synergy

[4] Covey, S. R. (2003). Principle-centered leadership. Simon & Schuster. p.174

[5] Covey, S. R., Merrill, A. R., & Merrill, R. R. (1995). First things first: To live, to love, to learn, to leave a legacy (Fireside Eidtion). Simon & Schuster Inc. (Original work published 1994) p.25

[6] Covey, S. R. (2003). Principle-centered leadership. Simon & Schuster. p.20

[7] Ibid. p.18

[8] Covey, S. R., Merrill, A. R., & Merrill, R. R. (1995). First things first: To live, to love, to learn, to leave a legacy (Fireside Eidtion). Simon & Schuster Inc. (Original work published 1994) p.280

[9] Covey, S. R. (2012). The wisdom and teachings of Stephen R. Covey. Simon & Schuster. p.62

[10] Ibid. p.67

[11] Covey, S. R., Merrill, A. R., & Merrill, R. R. (1995). First things first: To live, to love, to learn, to leave a legacy (Fireside Eidtion). Simon & Schuster Inc. (Original work published 1994) p.246

[12] Covey, S. R. (2003). Principle-centered leadership. Simon & Schuster. p.117

[13] Ibid. p.95

[14] Covey, S. R. (2003). Principle-centered leadership. Simon & Schuster. p.18

[15] Covey, S. R. (2012). The wisdom and teachings of Stephen R. Covey. Simon & Schuster. p.117

[16] Covey, S. (2011). De zeven eigenschappen van effectief leiderschap (54e druk). Business Contact. p.204

[17] Covey, S. R. (2003). Principle-centered leadership. Simon & Schuster.

p.19

[18] Covey, S. R. (2004). The 7 habits of highly effective people: Powerful lessons in personal change. Simon & Schuster. p.63. Ik volg hier de Engelse versie. De Nederlandse vertaling heeft de termen catalysing (in beweging zetten) en empowering (vermogens vrij maken) weggelaten, die m.i. hier essentieel zijn. Engelse citaat: It means that the relationship which the parts have to each other is a part in and of itself. It is not only a part, but the most catalytic, the most empowering, the most unifying, and the most exciting part.

[19]  Covey, S. R. (2004). The 7 habits of highly effective people: Powerful lessons in personal change. Simon & Schuster. p.219.

[20]  In de Nederlandse vertaling staat: Een overvloedmentaliteit. De derde karaktertrek die essentieel is voor win-windenken is een overvloedmentaliteit. Volgens dit paradigma is er genoeg voor iedereen. In: Covey, S. (2011). De zeven eigenschappen van effectief leiderschap (54e druk). Business Contact. p.196 De vertaling die ik in de tekst gebruik, is van mijn hand.

[21] Covey, S. R., Merrill, A. R., & Merrill, R. R. (1995). First things first: To live, to love, to learn, to leave a legacy (Fireside Eidtion). Simon & Schuster Inc. (Original work published 1994) p.58

[22] Ibid. p.22

[23] Ibid. p.50

[24] Covey, S. R. (2004). The 7 habits of highly effective people: Powerful lessons in personal change. Simon & Schuster. p.115

[25] Covey, S. R. (2003). Principle-centered leadership. Simon & Schuster. p.75