Call us now:
AI kan niet voor jou poepen

Alles wat taal is, komt uiteindelijk voort uit algoritmen. Ook de taal van de mens. We spreken en schrijven in patronen, herhalen wat we gelezen hebben, combineren fragmenten, echoën oude vormen.
Het postmodernisme had dat allang blootgelegd: originaliteit was niet meer dan het betere jatwerk van stijlen. De schrijver werd een arrangeur van ideeën die hij niet zelf bedacht had, een curator van wat elders vandaan kwam. Het autonome, creatieve subject was allang begraven in Parijs, zonder rouwstoet.
Wat overbleef, was de postmoderne schrijver: een recycler, een knipper en plakker, een knutselaar met tweedehands zinnen. Daar hadden we ons misschien bij neergelegd. Maar nu ook die is verdwenen, opgelost in een algoritme, wordt zelfs die berusting ondraaglijk. Wat rest, is herhaling. Recycling. Tot het einde der tijden.
En daar wringt het.
Zoals lezen geen lezing is maar een belevenis; zien geen kijken is maar aanwezig zijn bij wat gezien wordt, zo is schrijven iets anders dan combineren en citeren.
Schrijven… is de stoelgang van de geest
Schrijven… is de stoelgang van de geest. Dit is geen leuke metafoor, maar een precieze omschrijving van hoe het werkt. Denken gist, dringt, stinkt en soms moet het eruit, zonder aankondiging of decorum. Schrijven is lichamelijke opluchting. Niet altijd netjes, niet altijd fris, maar altijd noodzakelijk. Een proces dat begint in de onderbuik en eindigt op het toetsenbord, met tussenstappen van kramp en tijdelijke bevrijding. En soms komt er helemaal niks.
AI heeft dat allemaal niet. Die hoeft niets kwijt. Die verteert niets en gromt niet van binnen. ChatGPT hoeft niet te gaan zitten, kent geen constipatie, geen diarree, heeft geen benul van de geur van kennis.
Want AI is uiteindelijk alleen maar één grote vectorale, numerieke ruimte van waarschijnlijkheden, blind voor welk feit, voor welke aandrang dan ook. AI kent de wereld niet, alleen maar getallen die met elkaar in verband staan. AI weet niks, voelt niks, moraliseert niks. Het is het volmaakte kennende subject van Kant, lichaamloos, voor bij tijd en ruimte, voorbij welk begrip dan ook. Voor AI ben ik het Ding an Sich, het ontoegankelijke, het onkenbare.
Kant had al weet van de werking van cognitieve systemen. Maar wat hij vergat, was het vlees. De lust en de pijn. De neus, de tast, de streling en de dreun. Zijn kennende subject was zuiver en zonder geur. Maar wij kennen met huid en haar, met navel, etter, opwinding en misselijkheid.
Dan de schrijver, die is een gistend lichaam, stinkend lijf, een zak van 37 graden die gedachten verteert, van alle kanten spettert en schuimt, ruft en ruikt. Die meurende vleesklomp is geen etaleur van hoodies en sneakers, geen assembleur van pakketreizen, geen VT-wonen stylist, geen glossy clone maar in het diepst van zijn Zijn: een darmtalig wezen.