Call us now:
Drieluik: de eeuw van Reinhard Höhn.

In dit tweede deel de nazi-jaren van de Duitse managementdenker Reinhard Höhn (1904-2000).I
Een driedelige serie over het leven, denken en de sociale context van de Duitse managementgoeroe Reinhard Höhn die van 1904 tot 2000 leefde. Met slotbeschouwing.
Deel 2. De nazi Reinhard Höhn
Een nieuwe start
Höhn behoorde weliswaar tot de generatie voor wie de universiteiten inmiddels meer toegankelijk waren geworden dan voor zijn ouders, een academische baan krijgen was met de crisis die toen heerste een heel ander chapiter. De enige die de jonge intellectuelen een academisch carrière boden waren de nationaalsocialisten1. Dat zag Höhn ook en hij greep die kans en werd in 1933 zowel lid van de NSDAP en de SS. Inmiddels was hij gepromoveerd. Twee jaar later was hij in Berlijn hoogleraar staats- en administratief recht tot zijn ontslag in 1945.
Höhn behoorde niet tot de top van de nazi’s maar net van de laag eronder. Hij rapporteerde aan ze. Zijn belangrijkste taak kreeg hij bij de Sicherheitsdienst (SD): het samenstellen van rapporten over binnenlandse oppositie en verzet tegen de nazi’s. Hij kreeg zijn werkplek in de Wannsee-villa, het zenuwcentrum van de nazi-elite, de villa ook waar tot de Endlösung van het jodenvraagstuk werd besloten. Het geeft weer in welke kringen hij zich bevond of hij er een bemoeienis meehad, waarschijnlijk niet. In die tijd verzamelde hij allerlei nazistische wetenschappers om zich heen om de nazi-ideologie ‘wetenschappelijker’ te maken. Dit leidde tot publicaties in een door hem opgericht tijdschrift Reich – Volksordnung – Lebensraum.

Hij was ook niet direct betrokkenen bij moord- en geweldpartijen, maar steunde het regime volmondig, vooral als ideologische stutter van het leiderschap van de Führer…

Leiderschap volgens de nazi Höhn
Höhn verschafte de nazi-elite een dichtgetimmerde leiderschapstheorie, precies wat ze wilde horen. Hij was de man voor wie gold: wiens brood men eet, diens woord men spreekt.
De essentie van het volk
Höhn bleef in zijn naziperiode zijn eerdere völkische sentimenten trouw. Hij moest niets hebben van communisme of kapitalisme. Dat waren maar stromingen die erop uit waren het Duitse Volk te ondermijnen, zowel raciaal als cultureel. Wat beide stromingen gemeen hadden waren de Joden. En dat die sterker waren was in zijn ogen een verschrikking, want in de mondiale strijd van rassen moest het Germaanse volk bovenaan staan om over de wereld te heersen.
Alles moest erop gericht worden dat Duitse Volk weer in volle glorie te laten schitteren. Die passie bleef in Höhn aanwezig. Dat mocht met alle middelen: met cultuurpolitiek, biologische maatregelen én onderwerping van de lagere rassen in de sociaal-darwinistische pikorde.
In Höhns politieke filosofie was de samenleving geen liberale nachtwakersstaat met een minimale overheid, geen klasseloze maatschappij, geen democratische rechtstaat van burgers, geen absolute monarchie van een vorst met onderdanen, voor hem was de samenleving het Duitse volk met zijn eigen ziel en zaligheid. Ook hierin bleef hij zijn völkische ideeën trouw.

Tot die völkische gemeenschap behoorde iedereen die tot het biologische ras behoorde en daardoor ook weet had van dat wezen. Dit is heel anders dan hoe zijn leermeester en mentor erover dacht. Die wees de biologische ideeën van het Duitse ras af en zag het Duitse als een culturele identiteit. Dat wist Höhn. Hij stelde het zelf aan de orde in zijn boek over Mahraun. Na zijn toetreding tot de NSDAP werd Höhn steeds nazistischer2.
De essentie van leiderschap
Leiders hadden volgens Höhn een völkische opdracht net als de volgers. Beide zouden moeten bijdragen aan de realisatie en ontplooiing van het Duitse wezen. Zij konden hieraan niet ontsnappen en mochten dat ook niet. Hierin was er geen enkel verschil tussen beide. Leiders en volgers waren elkaars gelijke.
Voor Joden, Polen, andere rassen gold evenwel een hele andere status. Zij waren immers niet-Germanen, hadden geen deel aan dat Duitse Wezen en konden dus niet als ‘echte’ Duitsers functioneren in het volk.. Die mocht je dus, moest je zelfs of naar believen gebruiken of verwijderen.
Deutschland den Deutschen!
Het genie leidt
Wie werd dan de leider van het Duitse Volk, als alle ‘zuiveren’ elkaars gelijke waren.
Höhn beantwoordt die vraag door te verwijzen wat er in andere groepen en groepjes gebeurt, zoals van kinderen. Daar neemt dan diegene de leiding die het beste aanvoelt en verwoordt wat het essentiële doel is van de groep. Niet een opgelegd doel van buiten maar een in de groep ontstaan doel, dat een uitvloeisel is van het wezen van de groep. De volgers aanvaarden dat, omdat zij instinctief aanvoelen dat het dan goed met hen afloopt.
Wat voor kleine groepjes geldt, geldt helemaal voor de hoogste groep: het Volk. Alleen de eenmalige aanbieding, de beste, het genie mag daaraan leiding geven…
De leider is echter de meest uitgesproken drager van de geest van de gemeenschap, die richting geeft aan het geheel3.
Der Führer aber ist der ausgprägteste Träger des Geistes der Gemeinschaft, der für die Gesamtheit richtungsgebend handelt.
Voor nieuwe groepen die ontstaan geldt iets vergelijkbaars: de man die het best mensen om zich heen weet te verenigen, is degene die het beste aanvoelt wat er voor de gemeenschap nodig is.
Voor Höhn was er maar één die hiervoor in aanmerking kwam, één die dat genie was, die zijn eigen beweging was begonnen, die het talent had, en dat was Hitler.

De essentie van de staat
Voor Höhn is de hoogste politieke eenheid het volk met aan het hoofd een leider die het beste aanvoelt wat er nodig is en die het beste over het voetlicht krijgt. Die leider wordt niet gekozen maar claimt de macht en krijgt die van het volk omdat ze erin geloven dat hij hun hoop en toekomst is.
Het enige wat Höhn nog zal doen is de hoogste leider buiten de staatsrechtelijke orde plaatsen en ‘aan te tonen’ dat de staat en de wetten instrumenten zijn voor de leider. Dan is de nazitheorie van de totalitaire alleenheerser klaar. Zijn redenatie is vrij simpel.
De staat en de gemeenschap (het volk) zijn volgens Höhn uit elkaar gedreven. Toen de Germanen nog in stamverband leefden waren beiden, stam en leiding, nog één. Beleid, recht en straffen kwamen voort uit de gemeenschap zelf. De staat kwam met de Romeinen met hun formele wetten én met de infiltratie van Joodse wetten. De introductie van de Christelijke kerk met zijn instituties en kerkelijk recht leidde tot een verdere degeneratie van het Germaanse volk4.

Het oppakken van de völkische draad betekent voor Höhn dat de staat weer deel uitgaat uitmaken van het volk. Het recht komt niet langer voort uit de rechtstaat maar uit het natuurlijke rechtsgevoel van het volk. De staat blijft wel bestaan, maar wordt in de pikorde ondergeschikt aan het volk en een instrument om het Duitse wezen te realiseren. Ook het recht met zijn wetten en rechtspraak krijgen dan die functie!
Rationalisatie van het besluit van 1926: Ein Führer
Laat me het even samenvatten op deze plek in het verhaal. Degene die de identiteit van het Duitse volk het beste snapt en verwoordt mag de leider zijn. Deze kan alle instrumenten inzetten om het Duitsland van de Duitsers in goede banen te leiden. De partij, de staat, de wetten zijn allemaal in zijn hand. De leider heeft altijd gelijk.
Führerprinzip
De facto rationaliseert Höhn met zijn staatsopvattingen het Führerprincipe dat de NSDAP in februari 1926 instelde. Op de ‘Führertagung’ in Bamberg was aan de orde of de partij zich zou scharen onder een politiek programma of onder een Führer. Men besloot voor het laatste en daarmee voor Hitler.

Hiermee ontstond een partij die ondergeschikt was aan de wil van één persoon. Hitler werd de personificatie van het gedachtegoed, de strategie én de missie. Toen hij in 33 aan de macht kwam kreeg zijn ’takenpakket’ een verdere uitbreiding. Hij werd werd wetgever en rechter ineen. De staat werd zijn instrument, zoals de partij dat officieel al was. Alles kwam in zijn hand en hij hoefde aan niemand verantwoording af te leggen5. De trias politica was opgeheven. Alles om de Germaanse idealen te verwezenlijken.
Met grote instemming citeert Höhn wat Hitler had geschreven in zijn Mein Kampf6: ‘
Der Staat ist ein Mittel zum Zweck. Sein Zweck liegt in der Erhaltung und Förderung einer Gemeinschaft physisch und seelisch gleichartiger Lebeswesen. (…)
Die Güte eines Staates kann nicht bewertet werden nach der kulturellen höhe oder Machtbedeutung dieses Staates im Rahmen der übrigen Welt, sondern ausschlieslich nur nach dem Grade der Güte dieser Einrichtung für das jeweils in Frage kommende Volkstum.
De staat is een middel tot het doel. Het doel ervan ligt in het behouden en bevorderen van een gemeenschap van fysieke en geestelijke gelijksoortige levende wezens. (…)
De deugdelijkheid van een staat kan niet worden bepaald via het culturele niveau of de machtsbetekenis van deze staat in het kader van de rest van de wereld, maar uitsluitend via de mate van deugdelijkheid van deze instelling voor het op een bepaald moment in aanmerking komende volksdom.
Zo steunde Höhn met zijn völkische theorieën over volk en staat het politieke leiderschap van Hitler. Dat was een andere man dan de persoon die na de oorlog vanuit Bad Harzburg het managementdenken een boost zou geven.
Maar eerst moest hij een aantal jaren de luwte in…
Noten
- Chapoutot, Johann. Gehorsam macht frei: eine kurze Geschichte des Managements – von Hitler bis heute. Vertaald door Clemens Klünemann. Berlin: Propyläen, 2021. p.17 ↩︎
- Ingrao, Christian. ‘Believe and Destroy’, z.d. p. 97 ↩︎
- Höhn, Reinhard. Vom Wesen der Gemeinschaft, geh. auf d. Landesführerschule d. dt. Arbeitsdienstes. Das Wissen um die Gemeinschaft H. 1 1. Berlin: Heymanns, 1934. p.17 ↩︎
- Chapoutot, Johann. Gehorsam macht frei: eine kurze Geschichte des Managements – von Hitler bis heute. Vertaald door Clemens Klünemann. Berlin: Propyläen, 2021. p.27 ↩︎
- Pfeufer, Lion. ‘Führerprinzip und Volksgemeinschaft ab 1933’. Fachoberschule am Beruflichen Schulzentrum e, 2005 par 2.1. Führerprinzip. ↩︎
- Höhn, Reinhard. Vom Wesen der Gemeinschaft, geh. auf d. Landesführerschule d. dt. Arbeitsdienstes. Das Wissen um die Gemeinschaft H. 1 1. Berlin: Heymanns, 1934. p.22. Citaat Hitler te vinden in: Hitler, Adolf. Mein Kampf: eine kritische Edition. München: Institut für Zeitgeschichte, 2016. p 1007/1009. Nederlands kritische editie: Hitler, Adolf. Mijn strijd. Onder redactie van W. Melching. Vertaald door Mario Molegraaf. Amsterdam: Prometheus, 2018. p. 500/501. De Nederlandse vertaling is overgenomen van de Nederlandse kritische editie. ↩︎