Cynisme als redding

Het grimmige wereldbeeld is de eerste verdedigingslinie voor alle mensen van goede wil met gezond verstand*). Zij weten hoe de hazen wél lopen en vertrouwen de ander zoals behoedzame mensen een bouvier: niet dus.

Altijd zijn ze op hun hoede, nooit zeker of de ander deugt. Trouw moet blijken en zelf als die blijkt, heeft dat geen eeuwigheidswaarde. Argwaan en voorzichtigheid zijn grauwe overlevingsdeugden, die aan jonge generaties nooit besteed zijn.

Theognis van Megara

De Griekse dichter Theognis, aristocraat uit de zesde eeuw v. Chr. is de aartsvader van het verstandige pessimisme en doorleefde wantrouwen. Zijn realistische lessen wilde hij aan de jongere generatie overdragen die later tot de bestuurlijke elite zou gaan behoren. De meeste van zijn versregels zijn gericht aan één van hen, zijn jonge geliefde, de jongen Kurnos.

De omstandigheden waarin hij leefde waren beslist niet bevorderlijk voor een zonnig humeur. Hij maakte het allemaal mee: burgeroorlogen, klassenstrijd en ballingschap. Om dan toch dichtregels vol fraaie overdrijvingen te schrijven laat een zielenadel zien, die ondanks alle ellende kon rijpen en dus zeldzaam is. Zo schrijft hij:

Mijn eigendom verloor ik door vertrouwen,
achterdocht won het weer terug. Besef
van beide zaken brengt mij groot verdriet[1].

Vooral die laatste regel, brengt mij groot verdriet, laat zien dat Theognis geen afgestompte paranoïde, witte heteroman van boven de zestig was. We weten trouwens niet eens hoe oud hij is geworden, wat zijn huidskleur was en of hij wel uit één persoon bestaat, maar dit terzijde. Dat de dichter pijnlijk getroffen was door bedrog en verraad staat buiten kijf. Hij had het vast allemaal anders gewild. Dat siert hem.

…niet geboren worden en als dat toch onverhoopt is gebeurd, dan maar zo snel mogelijk te sterven.

Verraad

Cynisme is de strohalm voor wie beurs gebeukt is met valse beloften en schijnwelwillendheid en desondanks zijn goede inborst niet wil verliezen. Maar als de desillusie tot aan de lippen staat, wat moet je dan? Er rest nog maar één remedie, aldus Theognis: niet geboren worden en als dat toch onverhoopt is gebeurd, dan maar zo snel mogelijk de pijp uitgaan.

Interieur schaal 5e eeuw, feestganger citeert een strofe uit het werk van Theognis (van rechts naar links): o, paidon kalliste, o, beeldschone jongen.

Deze over-de-topgedachte -in de oudheid was dit al een cliché – moet voor onze tijd, bevolkt door mensen wier wereldbeeld gevormd is door het zoete K3’s Kusjesdag[2], fonkelnieuw zijn en sublieme inzichten bevatten.

Allerbeste voor stervelingen

De fraaie toegankelijke vertaling is van de jonge classicus Hugo Koning:

Het allerbeste voor stervelingen is
om niet geboren te zijn, en niet te kijken
naar de felle stralen van de zon.
Wie toch geboren is moet dan zo snel
als mogelijk de poorten van de Hades
door, en liggen onder hopen grond[3].

Onder hopen grond, waar de wormen knagen, dáár, daar is het paradijs der ontgoochelden.

*) Bewerking van het lemma Kusjesdag in mijn boek Hoop in bange dagen


[1] Theognis, Luister naar mij: elegieën over leven en liefde, vertaald door Hugo Koning, 2017, vv. 831–832.

[2] K3 is een populaire zanggroep van drie volwassen vrouwen die zich als jonge meisjes verkleden en een warm wereldbeeld propageren met zang en dansjes. Hun meest diepzinnige poëtische regel luidt: ‘het is kusjesdag dat alles kan en mag’. Kusjesdag is te vinden op Youtube: https://www.youtube.com/watch?v=wgDnM4i3gbM

[3] Theognis, Luister naar mij, vv. 425–28.