De woeste rebel

Een dansende, grimassende gnoom voor een brandende tram. De vlammen slaan hoog uit de ramen. De man is in vervoering, de armen breed, handen als klauwen gekromd, het rechterbeen hoog, de tanden lijken bebloed. Het is de tijd van de grote Amsterdamse krakersrellen. In de Van Baerlestraat hebben uitzinnige activisten een tram in de fik gestoken. Het ritueel is voltrokken, de wereld gewroken. Omwille van de ‘goede zaak’ brandt de tram. De schilder Herman Gordijn (1932-2017) zag het en vereeuwigde het tafereel in verf[1].

Het is een overbekend en wereldwijd beeld van opstand en rebellie. Middenstanders zien hun winkels leeggeroofd, voorbijgangers die iets verkeerds zeggen, een verkeerd gebaar maken, worden tegen de grond gewerkt en met diverse kopschoppen het zwijgen opgelegd. Een politieman wordt met benzine overgoten en in de hens gestoken. De snelweg geblokkeerd, de tram brandt.

Verzet ís euforie, destructie en lust.

Verzet is euforie

Het kan niet anders. De uitzinnigheid die met revoltes en revoluties gepaard gaan is geen toevallig, bijkomstig kenmerk, maar is er essentieel onderdeel van. Verzet ís euforie, destructie en lust. Het is volledig vergelijkbaar met kloppartijen van hooligans, overwinningsfeesten en het brengen van offers, mensenoffers. Wat geordend is moet met één klap aan gruzelementen worden geslagen. De tram moet branden.

De woeste rebel voelt zich heer en meester over wat is en wat er spoedig niet meer zal zijn. Dood, leven, moment en eeuwigheid vallen samen als hij plundert, brandsticht, de nek van een tegenstander breekt. De seconden die het zijn van het niet-zijn scheiden, daarover is hij in het uur nu wetgever, rechter en beul tegelijk. De uitzinnigheid neemt compleet bezit van hem. Hij voelt dat hij ertoe doet, eindelijk! Dat hij een onontkoombare opdracht heeft, een missie, dat hij eindelijk weet wat hij moet weten. De Roemeens-Franse filosoof Emil Cioran (1911-1995) zegt het zo: ‘Om zich te openen voor de ware kennis, moet hij in zijn voegen kraken, buiten zijn grenzen treden en orgieën van vernietiging ondergaan[2]’. Alleen dan is hij een bron van vernieuwing. Dan kan de Nieuwe Tijd beginnen.

Dood, leven, moment en eeuwigheid vallen samen als hij plundert, brandsticht, de nek van een tegenstander breekt.

Geweld als mystieke ervaring

Zo ontwikkelt rebellie zich tot een mystieke ervaring, die de uitzinnige rebel niet doet verschillen van de talloze heiligen die op mystieke wijze één werden met het goddelijke. De strijd wordt er een van het verheven-goddelijke tegen het kwade-aardse, een manicheïsche strijd van goed tegen kwaad. Mystiek is vaak ook een daad van verzet geweest. De echte mysticus passeert elke bemiddelaar tussen het goddelijke en de mens. Hij kent geen andere autoriteit dan God en daar mag men gerust aan toevoegen: zichzelf.

Tijdens de demonstraties van Black Live Matters in de Verenigde Staten moedigde een journalist, tijdens zijn verslag, de demonstranten aan om alles plat te branden. Toen zij bij zijn huis kwamen, ontnuchterde hij, dat was toch ook weer niet de bedoeling. De schilder Gordijn moest er ook niets van hebben: ‘Een tram hóórt niet te branden’[3]. En zo is het!


[1] Sarah Remmerts de Vries, ‘Van Baerlestraat, Herman Gordijn, 1996, Collectie Amsterdam Museum, SA 41307’, Hart Amsterdammuseum, april 2016, https://hart.amsterdam/nl/page/54362.

[2] Emil Cioran, Bestaan als verleiding, vertaald door Maarten van Buuren (Groningen: Historische Uitgeverij, 2001), 178.

[3] Remmerts de Vries, ‘Van Baerlestraat, Herman Gordijn, 1996, Collectie Amsterdam Museum, SA 41307’.