Call us now:
Drieluik: de eeuw van Reinhard Höhn.

In dit eerste deel de völkische jaren van de Duitse managementdenker Reinhard Höhn (1904-2000).
Een driedelige serie over het leven, denken en de sociale context van de Duitse managementgoeroe Reinhard Höhn die van 1904 tot 2000 leefde. Met slotbeschouwing.
Deel 1. Höhns völkische carrière
Twee ter nagedachtenissen
Vergane glorie is de voorfase van de eeuwige vergetelheid. Die waarheid toonde zich toen ik de weg naar de voormalige Harzburger Akademie, de Hindenburgring, opliep: vage villa’s aan een bladderende weg, een kat die naar betere tijden snelt, een verlaten parkeerplaats. Niemand die hier nog iets te zoeken heeft.
Dat was een halve eeuw geleden wel anders. Toen kwamen ze van heinde en ver, vanuit de hele Bondsrepubliek naar Bad Harzburg, jong en oud, om geschoold te worden in de allernieuwste managementmethoden, in die van de sociale markteconomie. Hier was hun Nyenrode, hun Harvard, hier lag de toekomst van het nieuwe Duitsland, hun toekomst. Vergeten was het verleden, of liever: verdrongen. En met duizenden kwamen ze, met honderdduizenden…
Nu zit er een derderangs hotel in het gebouw en is het er stil. Gasten zie je er niet. Binnen ruik ik de vertrouwde, weeë lucht van jongenswc’s van de lagere school. ‘Nee meneer, zegt de oudere vrouw die wankelend aanslentert, ‘seminars zijn hier niet meer. Alles is online, hè, sinds corona. Het is voorbij.’ Ik knik empathisch.

Bij de gesloten poort hangt een koperen plaat. Ik loop erheen en lees de lofprijzing voor de oprichter en aanstuurder van deze beroemde school van weleer: Reinhard Höhn (1904-200). Hij was dé bedenker van het Harzburger model van managen, waar Duitsland plat voor ging.
Tweehonderd vijftig kilometer verder naar het oosten, in Berlijn, in de villa aan de Wannsee, de plek waar de nazi-elite tot de Jodenvernietiging besloot, hangt nog een plakkaat over diezelfde man: Reinhard Höhn. Daar wordt hij herinnerd als vooraanstaand nazi-ideoloog en lid van de Sicherheitsdienst.

Twee schilden met diametraal tegengestelde evaluaties van dezelfde man. Nog even en dan zijn deze borden ook weg en weet niemand meer wie hij was, dan is ook Reinhard Höhn voltooid verleden tijd.
De drie carrières Van Höhn
Het is een fascinerend en gecompliceerd leven dat Richard Höhn leidde en het deed en doet menigeen de wenkbrauwen terecht fronsen. Hij maakte drie carrières in de hoogste intellectuele kringen. Eerst was hij de jonge, briljante völkische1 staatsrechtgeleerde, toen de verdediger van het Führerprinzip en Hitler en hij eindigde als managementgoeroe in de naoorlogse Bondsrepubliek met een braaf, coöperatief leiderschapsmodel: het Harzburger model.
Niet voor niets verschijnen er de laatste jaren nieuwe studies over deze man, omdat aan de hand van hem breuken en continuïteiten te zien zijn in het Duitse leiderschapsdenken van de 20e eeuw2.
De fascinatie voor Reinhard Höhn als persoon is begrijpelijk, omdat zijn voorbeeld ons in staat stelt de breuken en continuïteiten van de Weimarrepubliek naar de nazistaat naar de Bondsrepubliek Duitsland te begrijpen3.
Höhns jonge jaren
Höhn werd geboren in 1904 in een ambtenarengezin in Thüringen (Gräfenthal), waardoor er in huize Höhn financiële stabiliteit was. Zijn opleiding was goed. Na de Volksschule ging hij naar het gymnasium. Hij ontwikkelde al jong een grote belangstelling voor de politiek.
Op zijn 16e was hij bijvoorbeeld al lid van de Jugendring Südthüringen, een groep die tegen de klassenstrijd was maar ook tegen een radicaal pacifisme, eigenlijk tegen elk pessimisme in die tijd. Zijn formatieve jaren stonden helemaal in het teken van de verloren oorlog van de generatie van zijn ouders, die van 14-18. Wat was daar de betekenis van en wat moesten ze ermee? Dat was de grond van zijn engagement.
Zijn biograaf Müller zegt het zo: ‘Hij behoorde tot de generatie die de Eerste Wereldoorlog niet zelf aan den lijven had ondervinden. Voor hen (…) betekende het jaar 1918 het einde van een vaderlijke wereld en het begin van een zoektocht naar nieuwe steun en oriëntatie’4.

Zijn vroege politieke betrokkenheid blijkt uit het feit dat hij de Völkische Beobachter rondbracht in het stadje waar hij woonde, een krant die wij nu als abject zouden beoordelen: anticommunistisch, antisemitisch en antkapitalistisch. De oorlogszuchtige mentaliteit sprak de tiener Höhn wel aan.
Ik studeerde aan de middelbare school in Meiningen en ontwikkelde een zekere vroegrijpe politieke competentie. Ik begon voor het eerst te vechten tegen ongedierte en viezigheid toen ik zestien was, als leider van de jeugdkring van Zuid-Thüringen. Ik was actief in jeugdbewegingen tot mijn achttiende, in mijn laatste schooljaar. Dat was de tijd van de verdedigingsstrijd tegen het communisme. Ik was actief in die strijd en trad in 1922 toe tot de Deutschvölkischer Schutz- und Trutzbund. Ik werd gevangengezet […]
In de völkische beweging vond de verweesde Höhn zijn eerste onderkomen.
Völkische beweging
Over het begin van de völkische beweging verschillen de specialisten van mening. Sommige dateren die aan het einde van de 19e eeuw en andere na de eerste wereldoorlog. De eerste wijzen dan op de massamaatschappij van het fin de siècle met zijn nieuwe technologieën en klassenstrijd die vele Duitsers het stekende gevoel van vervreemding gaf.
De tweede zien in de verloren loopgravenoorlog van 14 -18 de oorsprong van het völkische verlangen. Duitsland had een kater, voelde zich ontworteld en de terugkerende, gedesillusioneerde frontsoldaten versterkte dat gevoel alleen maar: Duitsland was vernederd, was hun Duitsland niet meer.
Lappendeken van clubjes
Hierdoor ontstonden er allerlei groepjes en clubjes die het Duitse gevoel van vroeger wilde herstellen, goedschiks of kwaadschiks… Dat bonte gezelschap, dat was de völkische beweging. Sommige waren om tijdschriften georganiseerd, andere rond zelfverklaarde goeroes5.
Het was zeker geen koek en ei met al die völkische clubjes. Er waren grote verschillen in wereldvisie en focus. Sommige groepen zochten een alternatieve levenswijze zoals ’terug naar de natuur’, andere ontwikkelden dit door naar ‘ dierenbescherming’, ‘nudisme’ en ‘vegetarisme’. Andere zochten hun heil in oude Germaanse gebruiken en rituelen. En dáár moesten anderen weer niets van hebben. Verder bevorderde de eerzucht van de vele lokale, grote en kleine baronnen nou ook niet bepaald een effectieve samenwerking. Het had Nederland kunnen zijn geweest. De centrale aansturing kwam er pas met de NSDAP, maar die zou ook het einde van al die clubjes betekenen. Elk voordeel heeft nu eenmaal ook zijn nadeel.
Heil unserm Hochmeister
De meeste clubs hadden een fantasierijke verbeelding. Als je hun nieuwsbrieven doorbladert is het of je Harry Potter leest. Ze waanden zich allemaal als nazaten van ridderlijke ordes uit door hen bedachte Middeleeuwen. De Jungdeutsche Orde waar Höhn zijn völkische hoogtepunt bereikte, kende zijn Grootmeester, Grootcommandeurs en Kanseliers. De orde had geen afdelingen maar baljuwschappen en kapittels. Men sprak elkaar aan met broeders en zusters.
Sportdagen, excursies, netjes leven, het hoorde er allemaal bij net als de ridderkruisen en de speciaal gemaakte muziek, marsmuziek natuurlijk want het moest wel Duits wezen. In de archieven van Berlijn vond ik voorbeelden.


Duitsland weer een thuis
Al die groeperingen deelden dus het verlangen om Duitsland weer Duits te krijgen. Zij wilden de Duitse identiteit opnieuw in alle levensgebieden implementeren: in de politiek, de wetenschap, de cultuur, sport, het gezin, de religie en de liederen. Terug naar die essentie, terug naar dat ene volk, het Duitse volk, Duitse tradities, Duitse gebruiken. weg met de klassenstrijd en de standsverschillen die maar verdeeldheid zaaiden6. Zo moest Duitsland weer een thuis worden.
Dat vernieuwde Duitsland moest een staat van volksgenoten krijgen, die bloed en bodem met elkaar deelden, althans volgens de Thüringer Zeitung in 1914:
We weten al lang dat de bloedsoort bepalend is voor de persoon […] De manier waarop we denken en voelen kan alleen worden gedacht en gevoeld door hen die hetzelfde bloed hebben als wij, en alleen zij kunnen serieus zijn over hun eigen germanisering en de toekomst van ons Duitse volk.
(…)
Dit is dus de essentie en de betekenis van de Duitse nationale gedachte, dat men het eigen volk moet liefhebben op basis van de aangeboren, geërfde Duitse natuur, dat men deze wil behouden en helpen veredelen naar de toekomst door aan zichzelf en in de gemeenschap te werken, en dat men geen hoger goed op aarde kent dan juist deze eenheid van essentie in Duitsheid en dit werken aan zichzelf en het eigen volk.
Wie de Duitse nationaliteit belijdt en zichzelf Duits-etnisch noemt, moet invloeden van vreemde etniciteit en van buitenlands bloed afweren7.
Maar niet alle völkische groepen waren uit racistisch-bloedend hout gesneden. Het idee dat er in Duitsland één Germaans ras was van blonde, blauwogige Germanen werd door andere groepen belachelijk gevonden. Het ging hen meer om de eenheid van een volk dat getraind is om in de noordelijke klimaatzône te overleven en de gedeelde mentaliteit en identiteit die dat opleverde8. Vooral de Duitse winters waren stichtend voor het Duitse volkswezen: die hardde af en verzette zich tegen slapheid.

Hoe dan ook, de völkische beweging pakte ook uit als een tegenbeweging, tegen alles wat niet-Duits was: antisemitisch, anti-slavisch, en doorgaans racistisch. Zo moest de jonge Höhn niets hebben van ‘negermuziek’ op de radio. Dat was alleen maar verspreiding van het onduitse9.
De broeders en zusters moesten om vergelijkbare beweegredenen ook niets hebben van alles wat maar internationaal georiënteerd was: socialisme, communisme, kapitalisme, liberalisme, de democratie, de grootindustrie en de banken10.
In deze beweging bracht Reinhard Höhn zijn vormende jaren door als student en jonge doctor en hij zou het er nog ver in brengen.
De völkische Höhn
Höhn is lid geweest van een paar völkische organisaties. Op zijn 16e was hij al Leiter van de Jugendring Süd Thüringen. Een groepering die zich verzette tegen het communisme en pacifisme, tegen het pessimisme en zich hard maakte om zin te verlenen aan de verloren oorlog.
Een jaar later, in 1921 werd hij via een schoolvriend lid van een Germanenorde Walvater, een organisatie die de democratie wilde afschaffen, zeer antisemitisch was en een zuiver rassenrijk wilde stichten. Deze organisatie kenmerkte zich als besloten broedergenootschap met ceremonies, gehoorzaamheid en zwijgzaamheid.

Weer een jaar later ging hij over naar de Deutsch-völkischen Schutz- und Trutzbund, die ook gekenmerkt werd door een virulent antisemitisme en -communisme. Deze bond zag zich als voorhoede van de völkische beweging en dat elitedenken sprak Höhn wel aan. Hij bracht het er tot Hoofdagitator.
Toen deze organisatie onder verdenking van de overheid kwam te staan vanwege staatsondermijning en inderdaad niet lang erna verboden zou worden, zocht Höhn een nieuwe domicilie en vond die in 1923 bij de Jungdeutscher Orde van Artur Mahraun (1890-1950). Intussen werd hij student rechtswetenschap in Kiel.

Jungdeutscher Orde en Artur Mahraun
Höhn zou negen jaar van deze Jungdeutscher Orde lid zijn, deel uitmaken van de top, gevierd worden als dé staatsrechtgeleerde van de vólkische beweging en verguisd als opstoker van de regio tegen Mahraun. Uiteindelijk werd hij door Mahraun uit de Orde gezet.
Artur Mahraun, ik zal kort over hem uitweiden, omdat hij een figuur is die de gematigde krachten in de republiek van Weimar uitlicht. Het was niet alleen maar fanatisme en extremisme op rechts. Eigenlijk verdient hij een wetenschappelijke biografie. Wie was hij dan?

Mahraun was luitenant in het Duitse leger en richtte na zijn terugkeer uit de eerste wereldoorlog een Freikorps, paramilitaire eenheid op die hij een jaar later omvormde tot de Jungdeutscher Orde. Met deze orde wilde hij de grote splijting in Duitsland van links en rechts overwinnen. Er moest broederschap komen: iedereen was gelijk. Afkomst, opleiding en beroep deden er niet meer toe, net zoals dat ook in de loopgraven het geval was geweest11. Op zijn hoogtepunt had de orde 300.000 leden.
In 1926 schreef hij daartoe een manifest: Duitsland moest geen parlementaire democratie zijn, maar een volksstaat van buurtschappen, wijken en gemeenschappen. Ook moest Duitsland zich verzoenen met Frankrijk en ermee samenwerken. Dat laatste was binnen de völkische beweging tegen het zere been en hem werd dan ook verraad verweten. Ik noem dit, omdat het laat zien dat die völkische beweging geen monolithisch blok was.
De orde was antisemitisch en leden moesten een ariërverklaring overleggen. Toch was Mahraun daarin gematigd en nam hij afstand van het antisemitisme van de nazi’s. Hij was pleitbezorger van de staatsrechtelijke gelijkstelling van joden met andere burgers. Ook van een biologisch racisme moesy hij niks hebben.
Aan het einde van de twintiger jaren met de toegenomen radicalisering zowel op rechts als op links ging Mahraun met zijn orde met de sociaaldemocraten samenwerken in de nieuwe Deutsche Staatspartei. Hij bekende zich tot de parlementaire democratie. Het leverde behalve teleurstellingen en veel leden die opzegden niet veel op.
Arrestaties
‘Lieve vrienden,
Zoals jullie inmiddels uit de pers weten, is in de landsgebieden van Baden, Braunschweig, Lübeck, Oldenburg en Bremen intussen de Orde ontbonden op basis van de noodverordening van de Rijkspresident van 28-2 ter bescherming van Volk en Staat tegen communistische activiteiten13.’
Zo begint het rondschrijven van het bestuur van de Orde van 23 juni 1933. Een aantal dagen ervoor was Mahraun gearresteerd samen met een aantal andere bestuursleden. Die laatste werden al snel vrijgelaten, blijkt uit een rondschrijven van de orde12. Mahraun bleef nog een aantal weken vastzitten. De orde maant de leden kalm te blijven en geen gekke dingen te doen. Toen ik het getypte velletje zag in het Bundesarchiv zag werd ik er even stil van. Zo gaat het dus. De machthebber zoekt een reden om je te grazen te nemen en als die niet opgaat, doet hij het alsnog. Macht erkent alleen de rede van de macht. Hoor ik Machiavelli daar mij niet souffleren?

Het is het begin van het einde van de Jungdeutsche Orde van Mahraun. Natuurlijk werd er protest aangetekend maar dat bood voorspelbaar geen soelaas, ook niet toen justitie moest erkennen dat de Orde niet subversief was. Die bleef vanzelfsprekend verboden. Na de machtsgreep van 33 lieten de nazi’s er geen gras over groeien om concurrenten en rivalen uit te schakelen.

Mahraun moest tot het einde van de oorlog onderduiken. In zijn laatste levensjaren zou hij zich nog bezighouden met het uitwerken van zijn ideeën over directe en vertegenwoordigende democratie binnen een volk. In 1950 overleed hij.

Völkische staatsfilosofie
Höhn vond na in de Jungdeutscher Orde zijn uiteindelijke stek. De jonge twintiger stijgt snel in de rangen en krijgt de afdelingen van Beieren en Oostenrijk onder zich. In 1926 slaagt hij voor zijn rechtenstudie en in de Orde legt hij zich toe op het verder uitdenken van de völkische staatsleer. Hij helpt in die periode Mahraun bij zijn manifest voor de Jungdeutscher Orde waarin hij hem zijn ideeën over de staat en de volksgemeenschap souffleert.
Het interne partijorgaan publiceert niet veel later, in 1928, een artikel van Höhn waarin hij de völkische staatsopvattingen wetenschappelijk probeert te funderen. Zijn staatrechtelijke ster stijgt en stijgt. In 1929 krijgt hij zelfs een eigen staatswetenschappelijke afdeling, betaald door de leden, om dit belangrijke werk voort te zetten en wordt de belangrijkste adviseur van de leiding, van Mahraun.

Twee boeken verschijnen er in 1929. Het ene boek is van de bewonderaar Höhn, het andere van de völkische ideoloog.
Het boek van de bewonderaar, Artur Mahraun, der Wegweiser zur Nation, geeft een schets van het leven van Mahraun, de Jungdeutser Orde en bespreekt de ideologische visie van Mahraun. Centraal daarin staat, hoe kan het ook anders, het begrip volksgemeenschap, hét thema van Mahraun en uiteindelijk ook van Höhn zelf.
Het andere boek, Der bürgerliche Rechtsstaat und die neue Front, van de völkische ideoloog Höhn is een strijdschrift en gaat opnieuw in op de vraag wat de relatie tussen de staat, volksgemeenschap en bestuur moet zijn. Mahraun is er zeer mee in zijn nopjes en beveelt het iedereen aan. Vele spreekbeurten volgen. Eind 29 is de 25-jarige op het hoogtepunt van zijn eerste carrière. Heel lang zou hij daar niet verblijven.
Völkische identiteitspolitiek en leiderschap
De ideeën van Höhn zijn steeds terug te voeren op zijn gedachte dat de basis van elke politieke orde de volksgemeenschap is, die niets anders dan een vergroting van het gezin en de dorpsgemeenschap. Iedereen weet wat goed voor die gemeenschap is, omdat de leden, de volksgenoten, allemaal dezelfde ziel delen. In onze tijd zou men zeggen dat ze dezelfde identiteit hebben. De leider is dan degene die de weg wijst en de schapen binnenboord houdt om die volksgemeenschap tot grotere eenheid en dus tot bloei te brengen.
Om dan toch even een parallel met ons heden te trekken: de identiteitspolitiek van woke heeft heel wat weg van het völkische in de Republiek van Weimar. Ook toen werden individuen gereduceerd tot een exemplaar van een Wezen, het Duitse. Nu gaat het om queer essenties, zwart of wit, toen om Duits en niet-Duits.
Ruzie en vertrek
De vertrouwensrelatie tussen Mahraun en Höhn liep in 1930 averij op. De orde schoof steeds meer vanuit de rechterflank op naar het midden van het politieke spectrum en gaat samenwerken met de Deutsche Demokratische Partei. Dit was een partij die de parlementaire democratie steunde, voor een sociale markteconomie was en opkwam voor burgerrechten.
De inzet was om de extreem-nationalistische groeperingen terug te dringen. Het werd een groot fiasco en de Orde trok zich na de verkiezingen al snel terug. Het leidde tot tweespalt in de orde, tot afscheidingen en opzeggingen. Vooral Thüringen, waar Höhn zijn wortels had, bood oppositie en wilde dat de orde haar strijd tegen de NSDAP liet varen en weer zuiver op de völkische graat zou worden. Höhn behoorde tot die kritici13.

Mahraun had intussen mensen naar Thüringen gestuurd om te onderzoeken hoe oppositioneel Höhn eigenlijk was. Er werd hem teruggekoppeld dat die flink aan het konkelen was. Het kwam dan ook tot een openlijke breuk tussen Mahraun en Höhn. In het opperste besluitorgaan van de Orde, het Hochkapittel, zette Mahraun Höhn uit zijn functie14. In de notulen staat het droog beschreven dat op 21 december 1930 in de middag Mahraun het woord neemt en zegt: ‘Hierbij verklaar ik dat ik Höhn uit zijn ambt zet.15‘ Het leidde tot veel gesteggel of hij dat wel mocht doen maar het eind van het liedje was dat Höhn het veld moest ruimen.
In februari 1932 zegde Höhn zelf zijn lidmaatschap van de Orde op.
“Ik geloof niet langer dat er iets van de Orde kan komen met de huidige leiding van Mahraun. Ik heb alle menselijk vertrouwen verloren en heb niet het minste politieke vertrouwen meer in de persoon van de Grootmeester. Ik denk nog steeds dat het idee van de gemeenschap juist is, maar het is niet gebonden aan de Jong-Duitse Orde en ik zal haar dienen waar ik denk dat het juist is16.
Hij houdt vast aan het idee van de gemeenschap en is ervan overtuigd dat hij een nieuwe plek zou vinden. En dat doet hij… bij de nazi’s..
Noten
- Een van de moeilijkste woorden om te vertalen is ‘völkisch’. Het Nederlandse volkse is ongeschikt. Völkisch heeft allerlei connotaties die het woord ‘volk of volks niet heeft: dieper liggende essentie, die soms mystiek is (Duitse wezen), of biologisch-racistisch (Germaans), een culturele traditie, een spraakgemeenschap e.d. Ik heb er voor besloten het woord onvertaald te laten. ↩︎
- Lelle, Nikolas. ‘Reinhard Höhn. Ein Leben zwischen Kontinuität und Neubeginn door Alexander O. Müller’. H-Soz Kult, 8 januari 2020. https://www.hsozkult.de/review/id/reb-28560
Kühl, Stefan. ‘NS-Ideologe Reinhard Höhn: Führen auf Harzburger Art’. Süddeutsche.de, 9 april 2021. https://www.sueddeutsche.de/politik/fruehe-bundesrepublik-fuehren-auf-harzburger-art-1.5248793. ↩︎ - Kühl, Stefan. ‘NS-Ideologe Reinhard Höhn: Führen auf Harzburger Art’. Süddeutsche.de, 9 april 2021. https://www.sueddeutsche.de/politik/fruehe-bundesrepublik-fuehren-auf-harzburger-art-1.5248793. ↩︎
- Müller, Alexander O. Reinhard Höhn: ein Leben zwischen Kontinuität und Neubeginn. Biographische Studien zum 20. Jahrhundert, Bd. 6. Berlin: Be.bra Wissenschaft Verlag, 2019. p.18. ↩︎
- Puschner, Uwe, Walter Schmitz, en Justus H. Ulbricht, red. Handbuch zur ‘Völkischen Bewegung’ 1871-1918. München New Providence London Paris: K.G. Saur, 1996.
p.XII en XIII ↩︎ - Höhn, Reinhard. Artur Mahraun, der Wegweiser zur Nation: Sein polit. Weg aus s. Reden u. Aufsätzen. Rendsburg [, Bahnhofstr. 12/14]: Schleswig-Holsteinische Verlags-Anstalt, 1929. p.33. ↩︎
- Was ist deutschvölkisch? In de Thüringer-Zeitung 14.4.1914 in: Puschner, Uwe, Walter Schmitz, en Justus H. Ulbricht, red. Handbuch zur ‘Völkischen Bewegung’ 1871-1918. München New Providence London Paris: K.G. Saur, 1996.p. XVIII ↩︎
- Artur Mahraun. Gemeinschaft als Erzieher. Berlijn: Nachbarschafts-Verlag Artur Mahraun, 1934.p.17, 19 ↩︎
- Müller, Alexander O. Reinhard Höhn: ein Leben zwischen Kontinuität und Neubeginn. Biographische Studien zum 20. Jahrhundert, Bd. 6. Berlin: Be.bra Wissenschaft Verlag, 2019. ↩︎
- Puschner, Uwe, Walter Schmitz, en Justus H. Ulbricht, red. Handbuch zur ‘Völkischen Bewegung’ 1871-1918. München New Providence London Paris: K.G. Saur, 1996. XVIII. ↩︎
- Müller, Alexander O. Reinhard Höhn: ein Leben zwischen Kontinuität und Neubeginn. Biographische Studien zum 20. Jahrhundert, Bd. 6. Berlin: Be.bra Wissenschaft Verlag, 2019. p.26 ↩︎
- Bundesarchiv R161/9 ↩︎
- Jenss, Johannes. Die ‘Volksgemeinschaft’ als Rechtsbegriff: die Staatsrechtslehre Reinhard Höhns (1904-2000) im Nationalsozialismus. Rechtshistorische Reihe; Bd. 475; Band 475. Frankfurt am Main: PL Academic Research, 2017. p.41 ↩︎
- Jenss, Johannes. Die ‘Volksgemeinschaft’ als Rechtsbegriff: die Staatsrechtslehre Reinhard Höhns (1904-2000) im Nationalsozialismus. Rechtshistorische Reihe; Bd. 475; Band 475. Frankfurt am Main: PL Academic Research, 2017.p. 42 ↩︎
- Bundesarchiv R161/16 ↩︎
- Jenss, Johannes. Die ‘Volksgemeinschaft’ als Rechtsbegriff: die Staatsrechtslehre Reinhard Höhns (1904-2000) im Nationalsozialismus. Rechtshistorische Reihe; Bd. 475; Band 475. Frankfurt am Main: PL Academic Research, 2017. p.45. ↩︎