Call us now:

Waren er leiders in het paradijs? Deze vraag kwam ik een tijdje geleden tegen in het lesboek voor leiders van Thomas van Aquino (1225-1274) en ik geef toe: ik zat op het puntje van mijn stoel. Wie stelt er nou zo’n vraag? Waar gaat dit over? Over meer dan ik, een seculiere, atheïstische 21e-eeuwer, aanvankelijk dacht. Achter deze vraag gaat een fascinerende, intellectuele aardverschuiving schuil die tot op de dag van vandaag nog aanwezig is. Het vraagt wat graafwerk, maar dan zie je ook wat. Eerst maar zijn leven en turburlente tijd, dan hoe hij ongewild de luiken opende…
Zijn leven
Het kasteel waar Thomas in 1225 werd geboren ligt ruim 5 kilometer buiten het plaatsje Roccasecca, dat halverwege Rome en Napels ligt op de grens van twee territoria. Het is nu een ruïne op een berg met uitzicht over de wijde omgeving. Hij was van goede, adellijke komaf. Zijn vader was de graaf van Aquino en had de taak om voor de paus een oogje in het zeil te houden of de heersers van Napels niet al te dicht bij de pauselijke domeinen kwamen. Op die grens bracht hij zijn jeugd door als de jongste, de zevende zoon, van de familie Aquino.

Dominicaanse interesse
Omdat er voor hem in de dynastieke opvolging geen brood zat, besloot zijn vader hem naar de abdij van Montecassino te sturen met de bedoeling dat hij daar, als hij zijn schooltijd en studies had afgerond, abt zou worden. Het pakte evenwel anders uit. Thomas kwam in Napels in contact met een hele andere orde, een nieuwe orde met een nieuw klooster, dat van de Dominicanen. Tien jaar voor zijn geboorte, in 1215, had de Spaanse geestelijke Dominicus Guzman deze orde gesticht vanuit Toulouse. Deze zag het afhouden van christenen van ketterijen als hun belangrijkste taak. Het was de tijd van katharen. De Dominicanen richtten zich op scholing als instrument en maakten een mars door de nieuwe universiteiten, alles om de rechte leer van het christendom tussen de oren van de studenten en mede-geleerden te houden. Zij stonden ook aan de wieg van de Inquisitie, omdat wie niet horen wilde het dan maar voelen moest…
Kennelijk sprak het intellectuele van deze orde Thomas aan want op zijn 16e, zo rond 1241, wordt hij lid en drie jaar later doet hij zijn gelofte. Dit allemaal zeer tegen de zin van zijn familie. Hij moest immers de hoogste bestuurder worden van Montecassino dat van de Benedictijnen was, de concurrent.

Gevangengezet
Toen Thomas op reis was naar de Parijse universiteit om daar zijn studie te vervolgen, snelden zijn broers hem achterna, grepen hem bij de kladden en zetten hem vast in het familiekasteel in Roccasecca. Zij deden van alles om hem van gedachten te doen veranderen: alles beter dan die Dominicanen! In wanhoop liet zijn vader een prostitué langskomen om hem dan maar helemaal van het geestelijke pad te krijgen. In Napels, in het klooster San Domenico Maggiore, waar Thomas zijn cel had, is in de gangen is nog altijd een fresco te bewonderen van hoe Thomas de dame van lichte zeden verdrijft.

Zinderende studententijd
Thomas ging alsnog naar Parijs om bij Albertus Magnus (ca. 1200 – 1280) te studeren. Het zinderde op de nog jonge universiteit: nieuwe leerstoelen, strijd tussen seculiere en geestelijke geleerden en bij die laatste natuurlijk ook flinke onderlinge twisten. Niets leidt tot zoveel gekissebis als de strijd om het ‘ware’ geloof. En daar maakte hij die grote academische hype mee: Aristoteles, waar iedereen vol van was, Albertus Magnus, zijn leermeester, niet in het minst. Die becommentarieerde bijna elke komma van de oude Griek. Ik begrijp volledig dat Parijs the place to be was en had ik in die tijd geleefd en was in de gelegenheid geweest, dan had ik het wel geweten. Daar, in dat milieu, had Thomas zijn intellectueel vormende jaren.
Montecassino exit
Thomas gaat vervolgens met zijn leermeester Albertus Magnus mee naar Keulen, slaat de abtsfunctie van Montecassino definitief af, doceert, schrijft en komt dan terug naar Parijs om te promoveren. In 1256 ontvangt hij zijn licentie om te onderwijzen, zijn mastertitel. Een uiterst productieve periode van schrijven en lesgeven begint tot het einde van zijn professoraat in 1259.
Hij gaat terug naar Italië om les te geven aan zijn Dominicaanse medebroeders. Niet veel later roept de paus hem naar Rome om pauselijk theoloog te worden en daar les te geven. Hij onderwijst er zowel filosofie als theologie en begint er zijn hoofdwerk, de Summa theologicae. In dit werk, een inleiding voor leken, behandelt hij vele facetten van de christelijke leer.
Parijs volledig op scherp
Toch blijft er niet. In 1269 gaat hij in Parijs opnieuw op de universiteit werken. In die tijd was dat uitzonderlijk, want je werd toen maar één keer voor een bepaalde periode op een leerstoel benoemd. De reden voor zijn benoeming was dan ook niet het lesgeven maar het opwerpen van intellectuele barricades tegen de invloed van de immens populaire, islamitische filosoof en jurist Averroës (Ibn Rusd, 1126-1198) van een eeuw eerder, die beweerd had dat God de wereld niet geschapen had, de individuele ziel van de mens met zijn dood ook stierf en dat de wetenschappelijke waarheid los stond van het geloof. Dat was een regelrechte bedreiging voor het christendom en Thomas moest die keren.


Die theologisch-filosofische heibel in Parijs leidde ertoe dat de bisschop van Parijs in 1270 verschillende Aristotelische en averroïstische stellingen verketterde. Wie ze aanhing zou geëxcommuniceerd worden. Desondanks zou Thomas Aristoteles blijven verdedigen. Deze ban duurde zeven jaar en zou in 1277 met nog meer stellingen door diezelfde bisschop worden uitgebreid. Zelfs Thomas ontsnapte niet aan de dans, ook van hem kwamen stellingen op de verboden lijst te staan. Maar toen was hij al dood… Wie overigens denkt dat Averroës binnen de islam wel werd gepruimd moet ik teleurstellen. Hij werd verbannen en zijn boeken werden verbrand.
Zijn laatste twee jaar
Zijn laatste twee jaar brengt Thomas weer door in Italië. Zijn orde had hem de opdracht gegeven een studiecentrum op te richten, een studium generale, in Napels. Hij werkt verder aan zijn hoofdwerk de Summa. In 1274 stuurt de toenmalige paus, Gregorius X, hem naar Lyon om aldaar een synode bij te wonen die onder meer over de betrekkingen met de Byzantijnse kerk ging. Onderweg op een muilezel stoot hij zijn hoofd aan een tak, hij wordt ziek en overlijdt op 7 maart 1274, 49 jaar oud. Hij wordt begraven in de abdij van Fossanova in Italië. Bijna een eeuw later, in 1369, worden zijn resten overgebracht naar de Jacobijnenkerk in Toulouse, die gezien wordt als de hoofdkerk van de Dominicanen. De belangrijkste Dominicaan mocht daar niet ontbreken.

De regno – Over het koningschap
Het leiderschapsboek De regno schreef Thomas rond 1265 en dit werk is vermoedelijk gericht aan de zeer jonge vorst Hugo II van Cyprus (1253-1267).Omdat deze al snel overleed en het boek nog niet af was zou Thomas het werk eraan hebben gestopt1. Het breekt abrupt af in het tweede boek. De Nederlandse vertaling is op deze incomplete versie gebaseerd2.
Waarom Thomas een bestuurdersboek schreef blijft gissen. Waarschijnlijk was het om politiek-militaire redenen. De Dominicanen wilden weer een kruistocht naar Jeruzalem op touw zetten. Cyprus ligt daarvoor heel strategisch en ze probeerden de koning te paaien met een fraai educatief cadeau voor de jonge knaap, geschreven door een van de beroemdste geleerden van zijn tijd.
De voltooide versie
Er is ook een andere versie van De regno die wél compleet is. Die is geschreven door Ptolomeus van Lucca (ca. 1236 – 1327) en staat bekend onder de naam De regimine principum, Over het bestuur van vorsten3. Ptolomeus was ook een Dominicaan, oud-student zelfs van Thomas, later diens vriend, vertrouweling en biechtvader. Hij heeft diens vorstenspiegel afgeschreven en kon dat ook doen, zou hij gedacht kunnen hebben, omdat hij goed op de hoogte was van Thomas’ ideeën. Bovendien had hij als kroniekschrijver en historicus ook de nodige culturele bagage in zich om het te doen én, niet om het een of ander, hij verkeerde ook nog eens in de hoogste bestuurlijke kringen en had dus een goed zicht op politiek gedoe en besturen.

Opzet lesboek
De regno is in doorlopend proza geschreven, in een stijl die we nu ook nog snappen. Het format van de scholastiek uit die tijd, dat een stelling wordt uitgewerkt in argumenten voor en tegen met een eindconclusie, blijft achterwege. Het is dus qua stijl voor Thomas uitzonderlijk.
Het is ook een wat rommelig boek. Het bevat twee boeken, een meer theoretisch eerste en een meer praktisch tweede boek. In het eerste geeft Thomas antwoord op de vraag waarom er überhaupt politiek is, gaat dan over op wat de beste vorm van bestuur is en wie de hoogste leider in de hiërarchie mag zijn. Het zal niemand verrassen dat dat de paus natuurlijk is. Vervolgens wijdt hij uit over slecht leiderschap. In het niet afgemaakte tweede boek strooit hij met enkele aanwijzingen over waar en hoe je het best een nieuwe stad kunt bouwen. Het eindigt vervolgens abrupt met een milde opmerking van Thomas over genieten. Ik neem zijn vorstenspiegel van achteren naar voren door en wandel van de instructies naar de beschouwing. Zijn theoretische eerste boek, dat ik daarna behandel, krijgt daardoor meer context.

Boek 2: Praktische aanwijzingen
De aanwijzingen in het tweede boek richten zich op de twee vorstelijke hoofdtaken die Thomas onderscheidt: het stichten van een stad en zorgen dat die goed blijft. Die eerste taak is slechts voor een enkele leider weggelegd, een stad wordt maar af en toe gesticht, die tweede is er voor alle koningen. Een stad of een land goed houden is een voortdurende opdracht voor alle politieke leiders.
Geschikte plekken
Thomas gaat uitvoerig in op de geschikte plekken voor een nieuwe stad of staat. Het klimaat moet er gematigd zijn. Want dat is de bewoners tot voordeel, want draagt bij aan een gezond lichaam en een lang leven3. Daarna komen de stedenplanners -en bouwers aan de beurt waaraan de ambitieuze en zorgvuldige vorst leidinggeeft. De plekken voor wonen en werken, bidden en baden, scholen en straffen worden zorgvuldig bepaald. Ptolemeus van Lucca voegt daar in zijn deel nog een iets aan toe. Hij geeft allerlei taakomschrijvingen voor de functionarissen die op de diverse niveaus functioneren. Het is interessant te zien hoe oud de bureaucratisch boomstructuren al zijn. Die zijn beslist niet van vandaag of gisteren!
Nu dient er bij het stichten van een stad of, indien die mogelijkheid zich voordoet, bij het stichten van een koninkrijk, allereerst de streek gekozen te worden; een streek die gematigd zou moeten zijn, want een gematigd klimaat brengt voor de bewoners vele voordelen met zich mee. In de eerste plaats ontlenen mensen aan een gematigd klimaat een gezond lichaam en een lang leven4.
Landbouw en handel
Een staat of stad kan niet in alles zelfvoorzienend zijn, aldus Thomas. Dat laatste verdient natuurlijk wel de voorkeur maar is niet reëel. Er zal naast de eigen landbouw ook handel moeten worden gedreven. Het is niet anders, aldus de theoloog, maar zegt hij erbij: liever niet. Handel leidt maar tot egoïsme, hebzucht en liederlijkheid.
Daar immers het streven van kooplui vooral op winst gericht is, slaat door het drijven van handel hun hebzucht over naar de harten van de burgers. Hierdoor gebeurt het dat alles in de stad verhandelbaar zal worden, het vertrouwen zal worden ondermijnd en de plaats aan list en bedrog ten prooi valt5.
En bleef het maar tot die onverbeterlijke burgers beperkt! Het virus van de begerige handelaar slaat ook nog over op diegenen die de vijandige wereld buiten de staat moeten houden: de militairen. Ook zij worden slaaf van hun genietingen. Hun lichamen worden slap en week en zijn uiteindelijk niet meer geschikt voor de strijd6. Handel is bij Thomas synoniem voor ellende, op zijn best een noodzakelijk kwaad dat binnen de perken gehouden moet blijven en waarvoor de vorst moet zorgdragen.

Het goede leven in de staat
Als de stad uiteindelijk is gesticht krijgt de vorst een nieuwe, uiterst belangrijke taak. De mens zelf is het die moet worden aangestuurd. Want het goede leven ontstaat niet vanzelf en ook het perspectief op de hemel kan uit het zicht geraken. Leiding, deskundige leiding is er nodig, een vorst die zorgdraagt voor de onderlinge vrede van de burgers en de focus van de mensen gericht houdt op het hoogste goed: het welzijn en het welvaren van de stad.
Drie taken krijgt de leider van Thomas in de schoot geworpen. Deze moet het goede leven invoeren, handhaven en verbeteren. Vertaal je die termen in het Engels dan klinken ze opeens als een moderne managementmantra: implement, maintain, improve. Maar dan is Thomas weer de Middeleeuwse christen als hij eraan toevoegt dat leiders deze taken pas goed kunnen uitvoeren als zij goed zijn opgeleid in het Christelijke geloof… door geestelijken.
Alle burgers moeten bijdragen aan het welvaren van het geheel en niet voor het persoonlijke gewin gaan. Hetzelfde geldt voor de vorst, ook die moet het geheel en daarmee de hemelpoort steeds voor ogen houden.
Thomas als Bertold Brecht
Ook burgers hebben een belangrijke taak en dat is dat zij steeds voor ogen moeten houden dat ze moeten bijdragen aan het welvaren van het geheel en niet voor het persoonlijke gewin moeten gaan. Zij moeten er werk van maken dat ze deugen. Dit geldt trouwens ook voor de vorst.
Toch is Thomas geen brave kwezel. Hij toont een realistische inslag als hij zegt dat je wel moet kúnnen deugen en dat dat alleen kan als je genoeg te eten en te drinken hebt en een dak boven je hoofd. De leider moet zorgdragen voor de juiste randvoorwaarden: bed, bad en brood. Dit komt niet in heel veel vorstenspiegels voor, moet ik zeggen. Thomas is hier een beetje Bertold Brecht van de Dreigroschenoper: Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral. Ik hou wel van die man.
Voor het op goede wijze leven worden er van een enkele mens twee dingen verlangd: het ene en het voornaamste is het handelen overeenkomstig de deugd (want het is de deugd waardoor op goede wijze geleefd wordt); het andere evenwel is bijkomstig en als het ware werktuiglijk, namelijk het voldoende aanwezig zijn van lichamelijke goederen, waarvan het gebruik noodzakelijk is voor het handelen overeenkomstig de deugd.
Drie gevaren
Thomas onderscheidt drie gevaren die voor de leider op de loer liggen. Hij kan te maken krijgen met de kwade wil van mensen, hun egoïsme en hartstochten. In zijn werk is, zoals in heel veel andere lesboeken voor leiders, het grote besef aanwezig dat de passionele mens vaak alle kanten opdondert behalve de goede, die van de deugd. Dan is er het gevaar van de opvolging en vervanging. Hier toont Thomas weer zijn nuchtere kant. Goede mensen gaan dood of vertrekken en zie dan maar eens een goede opvolging of vervanging te krijgen. Dat kan helemaal misgaan. Mensen van wie je een hoge pet op had, blijken in de praktijk niet bestand tegen de hitte van bestuur, zijn slechte strategen of weten werkelijk iedereen tegen zich in het harnas te jagen. Waren die eerste twee gevaren vanuit de gemeenschap zelf, het laatste komt van buiten. Om de stad liggen er allemaal vijanden op de loer. En de vijand, die slaapt nooit.
Grote beloningen
Steeds op koers zijn naar de gelukkige samenleving, eerst hier op aarde om daarna het geluk te kunnen bereiken dat eeuwig is, dat onderscheidt de goede vorst van de slechte, want die meert slechts af aan de oever van zijn eigen belangen en begeerte. De beloningen van God zullen groot zijn, weet Thomas. Niet alleen zullen hem rijke goederen ten deel vallen van aardse signatuur, die, zoals iedereen weet, slechts tijdelijk zijn en die ook slechte heersers weten bijeen te graaien, maar bovenal zullen ze de beloning smaken die hemel heet. Met die aardse genietingen blijft het maar aanklooien. Elk bevredigd verlangen vuurt het verlangen opnieuw aan naar méér of wordt bezocht door de angst dat het allemaal ooit voorbij zal zijn. Dat vergalt elk plezier. Dan het grootste geluk, dat heeft daar geen last van! Die beloning is volledig en eeuwig… is met God zijn. Zo ongeveer is het vergezicht van Thomas wel samen te vatten, dat nog heel Middeleeuws was.
Wat zal Hij dan doen voor goede koningen die met vrome bedoelingen het volk van God regeren en Zijn vijanden bestrijden? Hun belooft Hij geen aards maar een eeuwig loon, dat in niets anders bestaat dan in Zichzelf…7
Boek 1 Waarom is er politiek?
Hoewel het nu lijkt of Thomas zich voegt in de traditionele, christelijke opvattingen over leiderschap, is niets minder waar. Hij neemt er juist rigoureus afstand van. De waterscheiding met wat de belangrijkste kerkvader Augustinus van Hippo (354-430) had bedacht kon niet groter zijn en dat allemaal door de invloed van die nieuwe ster aan het intellectuele firmament van het Europa van toen: Aristoteles. Dat gebeurt allemaal in dat eerste, theoretische boek van De regno.

De natuur van de mens
Hierin volgt Thomas wat Aristoteles in zijn boek over politiek bestuur, de Politica, te melden had8. Die zei dat de mens in zijn eentje helemaal niks voorstelt. Zonder gemeenschap gaat die ten onder. Het is de natuur van de mens om een sociaal wezen te zijn of zoals Aristoteles het zei: een politiek dier. Die gemeenschap, bij Aristoteles de stadstaat, heeft alle mogelijkheden in zich om iets moois en goeds te worden. Ook die potentie is van nature gegeven. Als iedereen maar samenwerkt, elkaar het licht in de ogen gunt, moet je eens zien wat er gebeurt… Maar, zegt Aristoteles en Thomas zegt het hem na, het gaat niet vanzelf. Daar is leiderschap voor nodig. Er moet iets zijn dat de mensen aanstuurt en opstuwt in de richting van die grote saamhorigheid. Dat leiderschap is er niet toevallig maar hoort noodzakelijkerwijs bij het totaalpakket. Denk je het weg, dan is de samenleving weg en is de mens weg.
Hoe bijzonder is dat nou allemaal? Misschien niet voor ons, die gepokt en gemazeld zijn in seculier leiderschap, maar zeker wel voor de tijdgenoten van Thomas. Voor hen moet het allemaal vreemd en revolutionair in de oren hebben geklonken. Want wat hij in dit eerste boek doet is de lijn doorknippen tussen God en de samenleving. Hij zet ongewild een stap in het seculariseringsproces van het Westerse leiderschap.
Het positieve van leiderschap
Thomas beredeneert op rustige wijze dat de mens en de samenleving een eigen natuur hebben, die hun eigen ontwikkeling kennen – en nu komt het en dat is het revolutionaire- en die onafhankelijk opereert van God. De gemeenschap heeft altijd de potentie in zich om te groeien, beter te worden. Die ontwikkelingsmogelijkheid zit er van nature in en is niet meer in de handpalm van God geschreven. Wat ook een nieuw geluid van Thomas is, is dat hij voor de samenleving een politieke ambitie formuleert: verbeteren van wat er is. Het kan alleen maar mooier worden als je met elkaar flink je best doet: nu hier op aarde en straks ook nog in de hemel. Om het nog wat strakker te formuleren: Thomas wil niet weg van iets slechts maar heen naar iets goeds: eruit halen wat erin zit. Zijn vibe is positief. Wat dat betreft is hij heel modern.
Blijft toch christelijk
Toch schrijft hij God niet helemaal uit het script – dat gebeurt pas de eeuw erop- maar laat hij een plekje voor Hem over via de Goddelijke Genade. Want hoe ondoorgrondelijk Gods wegen ook zijn, Hij meent het heel goed met ons, ik volg even Thomas, en werkt met ons samen via zijn Genade. Gods toverstokje blijft nog fier overeind.
Er is nog element wat Thomas bij de christelijke les houdt. Dat komt niet zozeer voor in zijn lesboek voor leiders maar in zijn andere werk maar werkt er wel in door. Hij pleit er weliswaar voor de wereld met het verstand te begrijpen zoals Aristoteles dat ook had gedaan, maar vindt dat onvoldoende. Om alles echt te snappen heb je de Openbaring nodig. Die gaf hij een hele speciale plek, figuurlijk gesproken, die van spotlights. De Openbaring moest aanlichten wat de rede op eigen kracht al een beetje had laten zien. Zonder het schijnsel van de bijbel, zonder die Openbaring, bleef het slechts knijpend turen naar de waarheid die ondanks alle wetenschappelijke inspanningen beschaduwd bleef. Als je de mens en de samenleving alleen met de rede onderzoekt, kom je er nooit achter dat de gelukkige samenleving slechts een tussenstadium is. Het einddoel wordt er niet mee uitgelicht. Dat kan alleen met de lichtbundels van de bijbel: het eeuwige samenzijn met God. Geloof en rede sluiten elkaar niet uit, aldus Thomas, maar versterken elkaar, al blijft de theologie wel de baas. Thomas is deels heel modern, deels ook traditioneel christelijk.
Thomas zegt Augustinus vaarwel
Het moderne van Thomas komt sterk naar voren wanneer je hem met de kerkvader Augustinus van Hippo (354-430) vergelijkt9. Augustinus was er heilig van overtuigd dat leiderschap het gevolg was van de zondeval. Het verhaal zal bekend zijn: Eva eet van de appel van de boom van kennis van goed en kwaad. God had dat verboden, komt erachter en verdrijft haar met Adam uit het aardse paradijs. Daar zullen ze en iedereen na hen een ellendig leven hebben. Ze zullen knorrige, kwaadaardige schepselen zijn die slaaf zijn van hun lusten en driften en geen redelijke wezens die voor het volle pond voor de deugd en de lieve vrede gaan. De menselijke conditie kenmerkt zich door verraad, geruzie en geweld. Om die nog een beetje in de hand te houden heeft God over zijn hart gestreken en politiek leiderschap aangesteld om nog meer ellende te voorkomen7. En de garantie is tot de voordeur, want politiek gezag kan altijd falen en ontsporen. Maar dat hoort ook bij de straf voor het eten van de appel. Kortom, leiderschap is het gevolg van de zondeval. Deze sombere kijk op leiderschap is van een hele andere snit dan die van de positivo Thomas.

Begin modern leiderschap
Bij Thomas begint de ontwikkeling van ons moderne leiderschap: mensen en organisaties, vooruit hele samenlevingen, tot bloei brengen. Dat gaat niet vanzelf. Daar is effectief en ethisch leiderschap voor nodig: functieprofielen, taakomschrijvingen, praktijk! Dat is de thomistische aardlaag die in onze tijd nog steeds zichtbaar is. Het is niet voor niets dat er na Augustinus maar weinig lesboeken voor leiders zijn. Er was geen noodzaak toe. Het tranendal bleef bestaan en de zondige mens veranderde ook geen zier: geen eer mee te behalen. Waarom zou je leiderschap professionaliseren, vorsten opleiden, lesboeken schrijven? Thomas waardeert leiderschap heel positief, iets wat van nature nodig is en wat uitgewerkt moet worden, zowel in politiek-filosofische zin als met praktische instructies. Zie zijn eigen De regno!
Bij Augustinus was de leider de gesel Gods, bij Thomas de hoeder van de natuurlijke mogelijkheden van mens en samenleving. Dát is het nieuwe dat Thomas formuleert: niet God maar de natuur zelf bepaalt wat wel en niet kan. God wordt als bestuurder op afstand gezet en de mens op de troon. Niet lang erna zal Hij ook irrelevant verklaard worden en verdwijnen. De mens moet zelf leidinggeven, geschoold en wel. De moderne zelfsturing begint. Dat is de aardverschuiving die Thomas bewerkstelligt, die tot op de dag van vandaag in onze samenleving aanwezig is.
Leiders in de staat van onschuld
Was er nu wel of geen leiderschap in het paradijs? Ik kom nog even terug op die voor mij intrigerende beginvraag. Het zal langzamerhand wellicht duidelijk worden dat het antwoord te maken heeft met je opvattingen over de natuur van de mens en de samenleving. En afhankelijk van die opvattingen waren er wel of geen leiders in het paradijs.

Augustinus: geen leiders
Volgens Augustinus kende het paradijs geen leiders. De mens was toen vrij van zonden en wist steeds wat goed was en wat er moest gebeuren. Dat werd na de zondeval volledig anders. Toen was er wel leiderschap nodig om met dwang en disciplinering de zondige mens in toom te houden. De mens van vóór de appel en van erna verschilde fundamenteel van elkaar.
Thomas: wel leiders
Voor Thomas zat het anders in elkaar. Hij beweerde dat er geen fundamenteel verschil was tussen de staat van onschuld in het paradijs en het tranendal waarin wij nu leven. In beide perioden was dezelfde natuur werkzaam. Zowel in het paradijs als daarna was de mens van nature een sociaal wezen dat niet zonder gemeenschap kon en waar ontwikkeling mogelijk was! Dus ook in het paradijs moest er gecoördineerd worden en reed iemand wel eens een scheve schaats. Daarom was er ook leiderschap in de Hof van Eden, aldus Thomas. Maar het was leiderschap light want de mensen waren toen veel redelijker, sympathieker dan wij zijn én vrij van zonden en begeertes. Iedereen was redelijk, goed gemutst en wist steeds wat nodig was en handelde daarnaar. De mens van toen was de ideale medewerker en de leiders waren de ideale managers.
Coda
Thomas was in zijn denken over leiderschap vernieuwend, zonder meer, en bleef tegelijkertijd binnen de lijntjes van het christelijk geloof kleuren, dat ook. Hij verklaarde God niet overbodig al kwam hij met zijn opvattingen over de natuur van de mens en de samenleving gevaarlijk dicht in de buurt. Hij was ook niet puriteins, iemand die de geneugten des levens afwees. Integendeel, een verzetje op zijn tijd moest kunnen, maar met mate. Dat blijkt uit de regels, waarin hij een beetje genot aanprijst, omdat dat de ziel verkwikt.
Derhalve is het schadelijk voor de stad, wanneer, door haar ligging of door wat dan ook, genietingen in overvloed aanwezig zijn. Nu is in het menselijke leven een beetje genot op zijn plaats, zogezegd om het leven te kruiden opdat de menselijke ziel verkwikt wordt10.
En dan stopt zijn boek.

In Toulouse, in de Église des Jacobins, in een gouden relikwieënkistje liggen zijn botjes en kootjes. Bij leven is hij er nooit geweest, heeft er nooit één pas gezet. Maar het is wel de hoofdkerk van de Dominicanen. Daarom is hij daar. Daarom is daar de tastbare herinnering aan de man die in de 13e eeuw de deuren opende voor nieuw gedachtes over leiderschap: Thomas van Aquino.
- Thomas. Over het koningschap. Vertaald door M. A. J. M. Buijsen. Agora editie. Kampen : Kapellen: Kok Agora ; Pelckmans, 1997. p.19.
↩︎ - Thomas. Over het koningschap. Vertaald door M. A. J. M. Buijsen. Agora editie. Kampen : Kapellen: Kok Agora ; Pelckmans, 1997.
↩︎ - Lucca, Ptolomey, en Thomas Aquinas. On the Government of Rulers: De Regimine Principum. Vertaald door Bartholomew en James M. Blythe. The Middle Ages Series. Philadelphia: PENN, University of Pennsylvania Press, 1997.
↩︎ - Thomas. (1997). Over het koningschap (M. A. J. M. Buijsen, Vert.). Kok Agora ; Pelckmans. p. 134
↩︎ - Thomas. (1997). Over het koningschap (M. A. J. M. Buijsen, Vert.). Kok Agora ; Pelckmans. p. 144 ↩︎
- Thomas. (1997). Over het koningschap (M. A. J. M. Buijsen, Vert.). Kok Agora ; Pelckmans. p.144 ↩︎
- Thomas. (1997). Over het koningschap (M. A. J. M. Buijsen, Vert.). Kok Agora ; Pelckmans. p.91 ↩︎
- Aristoteles. Politica. Vertaald door J. M Bremer en A. H. M Kessels. Groningen: Historische Uitgeverij, 2012.
↩︎ - Weithman, Paul J. ‘Augustine and Aquinas on Original Sin and the Function of Political Authority’. Journal of the History of Philosophy 30, nr. 3 (1992): 353-76. https://doi.org/10.1353/hph.1992.0058.
↩︎ - Thomas. (1997). Over het koningschap (M. A. J. M. Buijsen, Vert.). Kok Agora ; Pelckmans. p.147 ↩︎